LOGIN
EduVip
Bartimeus | Visio | Sensis

Bewegingsonderwijs brailleleerlingen basis en voortgezet onderwijs

Met de term 'brailleleerling' worden leerlingen bedoeld die blind zijn of zeer slechtziend, dat ze aangewezen zijn op braille en tast. Als er sprake is van restvisus bij een brailleleerling, dan is deze niet toereikend om mee te doen met balspelen, tikspelen etc. Deze leerlingen zien vaak nog wel de trampoline staan, maar zo laat, dat springen met een aanloop niet altijd mogelijk is.

Het is niet eenvoudig om bewegingsonderwijs te geven aan een reguliere klas met een brailleleerling erin. Er zijn activiteiten waaraan de braille leerling met enige aanpassing mee zal kunnen doen, maar er zijn ook activiteiten waaraan de braille leerling niet zinvol kan deelnemen. Op die momenten zal er een alternatief moeten worden gevonden, zodat de leerling toch de tijd krijgt om te leren bewegen.

In dit stuk wordt aandacht besteed aan beide situaties: het meedoen met de klas en het niet meer meedoen met de klas.

Algemeen

Houd rekening met:

  • Een motorische achterstand
  • En lager tempo
  • Meer tijd nodig hebben om zich motorische vaardigheden eigen te maken
  • Het geven van goede auditieve informatie
  • Eventuele bewegingsangst (kijk naar de spanning in het lijf)

Aandachtspunten voor de leerkracht:

  • Spreek de leerling aan op zijn motorisch niveau (dit ligt doorgaans dus een stuk lager dan het niveau van de rest van de klas)
  • Geef de leerling de tijd om de opdrachten in zijn eigen tempo te doorlopen (heeft meer tijd nodig)
  • Zorg voor zoveel mogelijk rust in de zaal
  • Geef bij de instructie verbale ondersteuning (vertel wat hij moet doen)
  • Begeleid de leerling manueel (beweging laten voelen)
  • Bied veiligheid en vertrouwen
  • Bouw de mate van zelfstandigheid op

Gevolgen voor de organisatie van de les:

  • Werk zoveel mogelijk in niveaugroepen
  • Laat de brailleleerling meedoen in een zo klein mogelijke groep om toch zoveel mogelijk beurten te krijgen
  • Laat de leerling soms 2 rondes dezelfde activiteit doen (meer tijd om te leren)
  • Bekijk of het mogelijk is om een extra volwassene in de les te krijgen (stagiaire, extra formatie leerkracht)

Aanpassingen bij het meedoen met de klas

Turnen/toestellen

  • Gebruik voor brailleleerlingen met voldoende restvisus grote fel gekleurde pilonnen gebruiken om voor de trampoline/reutherplank te zetten als zij nog wel gebruik kunnen maken van een aanloop (bij sommige leerlingen lukt dit). Bij lagere groepen basisonderwijs extra breed aanloopvlak, dus 3 banken naast elkaar ipv 2, weer met pilonnen bij begin van de trampoline
  • Voor degenen bij wie een aanloop niet lukt: biedt alle springonderdelen zonder aanloop aan. Dus 3 keer veren in de trampoline en dan over de kast
  • Geef duidelijke teruglooproutes aan (goed oriënteren, of met hulpmiddelen zoals langs de bank of een afbakenlint lopen)
  • Geef bij zwaaionderdelen de wachtplaats op een duidelijke plaats aan en op veilige afstand (goed uitleggen/laten horen bij de instructie). De leerling moet voor het bereiken van de wachtplaats nooit dwars door of vlak achter andere zwaaisituaties langs hoeven lopen
  • Leer de leerling technieken aan om zich veilig over toestellen te bewegen. Voorbeelden: Hoe controleer je nu of je midden op de kast staat voordat je eraf gaat springen? Door de breedte van de kast te voelen en het midden in te schatten. Hoe voorkom je nu dat je aan het einde van de dikke mat op de grond valt? Door of met kleine stappen over de mat te lopen, of met je voorste voet schuivend het einde af te tasten. Dit komt de zelfstandigheid ten goede.
  • Bouw de zelfstandigheid langzaam op. Begin met veiligheid bieden (voorzeggen: "nu komt de afstap", of eerst een stevige hand bieden, daarna twee vingers, een vinger, los). Geef de leerling gaandeweg steeds meer zelf de verantwoordelijkheid om veilig af te stappen
  • Gebruik hoorbare en voelbare aanwijzingen
  • Plaats turnopstellingen daar waar mogelijk langs een muur plaatsen. De muur is dan meteen de teruglooproute

Atletiek

  • Gebruik een recht stuk voor het sprinten dat breed genoeg is om links en rechts een paar meter af te wijken van de ideale lijn
  • Laat horen waar de leerling naar toe moet (ga achteruit voor hem rennen als het tempo nog laag ligt. Bij hoog tempo kan de begeleider bij de finish gaan staan en de leerling aanroepen of in de handen klappen)
  • Zorg voor een veilige teruglooproute
  • Neem de braille leerling bij een duurloop aan de hand of aan een lintje/touwtje (geeft meer bewegingsvrijheid voor begeleider en leerling)
  • Als de leerling nog genoeg ziet om iemand te kunnen volgen, laat de begeleider dan vlak voor hem uitlopen. Laat de begeleider een felgekleurd hesje dragen. Zoek naar veilige routes en paden (geen boomstronken en stoepjes want die worden niet opgemerkt door de leerling!)
  • Werponderdelen: Doe de beweging meerdere malen samen met de leerling voor (manueel). Laat iemand anders het geworpen voorwerp ophalen, zeker bij speerwerpen
  • Laat de leerling zijn prestatie afmeten aan eerdere prestaties van hemzelf

Spel

Op jonge leeftijd lukt het meestal nog wel om de braille leerling te integreren in de spelles. Het leren rollen, leren gooien, leren stuiteren met een bal, leren mikken van een pittenzakje op een mat, lukt meestal nog wel. Toch is het bij de jongste groepen al belangrijk dat de brailleleerling spelactiviteiten wordt aangeboden die gericht zijn op de specifieke mogelijkheden van deze leerling. Dit houdt meestal in, dat er een rinkelbal wordt gebruikt en dat balspelen over de grond worden aangeboden.

  • Gebruik een rinkelbal
  • Zorg voor voldoende rust in de zaal zodat de rinkels gehoord kunnen worden
  • Stimuleer de ontwikkeling van het oriëntatiegevoel door de leerling bijvoorbeeld op een turnmatje te laten zitten. De rand van de mat wordt gebruikt om te voelen waar de bal naar toe moet worden gerold
  • Laat horen waar de bal naar toe moet worden gerold
  • Speel een eenvoudig tikspel in een kleine groep, neem de leerling aan de hand mee en laat de tikker een belletje dragen

Als het niet meer lukt

Op latere leeftijd is het voor brailleleerlingen niet meer mogelijk om zinvol deel te nemen aan spelactiviteiten met de klas. Denk maar aan volleybal, basketbal, voetbal, badminton, tikspelen met de hele klas etc.

Op dat moment is het de taak van de school, om de mogelijkheden te bekijken om een alternatief aan te bieden. Bedenk dat het juist voor de brailleleerling van groot belang is, dat hij goed leert bewegen, zich goed leert oriënteren en zich veilig voelt in bewegingssituaties. Deze leerling heeft al meer tijd nodig om zich vaardigheden eigen te maken. Die ervaringstijd is nodig.

Mogelijkheden hangen samen met de beschikbaarheid van:

  • MRT uren van de vakleerkracht
  • Vrij uur van andere vakleerkracht, groepsleerkracht, assistent, stagiaire
  • Een lege zaal
  • Apparatuur waarmee de leerling zelfstandig aan het werk kan (vb loopband, hometrainer, roeiergometer)

MRT op een ander tijdstip dan het klassenuur bewegingsonderwijs

Als er een vakleerkracht is die MRT (Motorische Remedial Teaching) uren in zijn rooster heeft, dan kan hij samen met de brailleleerling aan de slag. Dit kan ook in een kleine groep zijn, samen met andere leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. Is er geen vakleerkracht (bijvoorbeeld op veel basisscholen) dan kan dit ook worden opgepakt door de groepsleerkracht, assistent of een stagiaire.

De activiteiten die voor de leerling belangrijk zijn om te ontwikkelen, komen hierin aan bod. Zo kan worden gekozen voor extra tijd voor turnen (herhaling van de turnles met de klas), maar kan ook worden gekozen om nu juist een balspel over de grond aan te bieden, nu er geen lawaai in de zaal is.

Spel tijdens spel

Als er geen MRT uren beschikbaar zijn van een vakleerkracht, maar wel een extra zaal èn een begeleider tijdens het speluur van de klas, dan kan ervoor worden gekozen om de brailleleerling aan de slag te laten gaan met een spel dat voor hem zinvol is. Het is belangrijk dat de begeleider weet wat de bedoeling is en waar de leerdoelen op zijn gericht. Ook is het dan prettig als de leerkracht af en toe even komt kijken hoe het gaat en daar waar nodig aanwijzingen geeft.

Voorbeelden van balspelen voor brailleleerlingen (zie bijlage)

  • Goalbal
  • Showdown over de grond
  • Slagbal over de grond (met een kleine groep)

Deze spelen kunnen niet worden aangeboden in de zaal waar de hele klas zelf bezig is, omdat de leerling in staat moet worden gesteld om zich optimaal te oriënteren op het geluid (via de muren) en natuurlijk op het geluid van de rinkelbal. Ook wordt voor goalbal en slagbal de hele zaal gebruikt. In de bijlage wordt een beschrijving gegeven van bovenstaande spelvormen.

Goalbal

Goalbal is een doelspel waarbij de ene partij door middel van het rollen van een rinkelbal, de muur van de tegenpartij moet raken. Goalbal kan 1 tegen 1 worden gespeeld, maar ook 2 tegen 2, of 3 tegen 3. De doelbreedte op de muur kan worden aangepast aan het niveau. Ook kan de werpafstand worden aangepast door het spel over de breedte van de zaal te spelen in plaats van over lengte, of door het afbakenen van de afstand met twee banken die op hun kant liggen.

Goalbal wordt altijd gespeeld met een rinkelbal. Gebruik een bal die past bij het niveau van de leerling. De officiële goalbal weegt maarliefst 1250 gram en is alleen geschikt voor de gevorderde spelers. Bij verschillende leveranciers van sportmaterialen zijn ballen verkrijgbaar voor beginners (vb Nijha Lochem). Bij leerlingen die nog wat kunnen zien, is de kleur van de bal ook belangrijk. Zij gebruiken niet alleen hun gehoor, maar maken ook gebruik van hun restvisus.

De spelers die de bal moeten tegenhouden, zitten op hun knieën voor de muur op de grond of op een mat. Je kunt ervoor kiezen om langs de hele breedte van de muur (het doel) dunne, platte matten te leggen (fysiotherapiematten). Deze matten zorgen ervoor dat het duiken naar de bal minder pijnlijk is en geven de spelers extra oriëntatie informatie. Leerlingen die aan het werpen zijn, doen dit staand (bij gevorderden). Beginners blijven meestal op hun knieën zitten bij het rollen.

Aandachtspunten:

  • Zorg voor stilte in de zaal
  • Voordat de leerling gaat werpen, moet hij goed weten waar hij staat.
  • De bal moet worden gerold, niet gegooid

Showdown

Officieel wordt het spel showdown op een speciale showdowntafel gespeeld. De meeste scholen beschikken niet over een dergelijke tafel. Het spel kan ook op de grond worden gespeeld.

Showdown wordt met een kleine lichte rinkelbal gespeeld en een batje. Dit is een langwerpig slagplankje waarmee de rinkelbal vooruit wordt geschoven/geslagen. Deze materialen zijn verkrijgbaar bij Mare Didakt. De officiële showdownbal is hard en snel. Afhankelijk van het niveau kan een ander type balletje worden gekozen. Als er met de harde bal wordt gespeeld, dan moeten de spelers beschermhandschoenen dragen.

Showdown wordt 1 tegen 1 gespeeld, maar kan ook 2 tegen 2 worden aangeboden. De spelers zitten op een turnmat (of 2 matten naast elkaar) tegenover elkaar. Zij moeten de voorkant van hun mat verdedigen met hun batje. Er is gescoord als de partij die de bal slaat, met de bal de voorkant van de matten van de tegenpartij raakt. De tegenpartij moet de bal onderscheppen met het batje, voordat hij de rand van de mat raakt.

De zijkanten van het veld worden afgebakend door een muur en met banken. Zo ontstaat er een veld van ongeveer 1-2 meter breed en circa 4 meter lang. Breedte en lengte van het veld kan gemakkelijk worden aangepast aan het spelersniveau.

Je kunt ook als doel een bank gebruiken die op de zijkant is gekanteld. De speler zit achter de bank en verdedigt de hele breedte van de bank.

Aandachtspunten

  • De bal mag alleen worden verdedigd met het batje, niet met de blote hand
  • De bal moet rollen en mag niet door de lucht
  • Bij het stoppen/tegenhouden van de bal moet het batje iets voorover geheld staan zodat de bal niet omhoog schiet

Slagbal

Slagbal kan prima worden gespeeld met een kleine groep leerlingen waarin ook een brailleleerling zit. 4 tegen 4 is een goed aantal. Het spel wordt dan over de grond gespeeld. Het wordt gespeeld met een klein gatenballetje met belletjes erin en een slagplank. Geschikte gatenballen zijn bij verschillende sportleveranciers verkrijgbaar. Je kunt er zelf belletjes in drukken die te koop zijn bij naaizaken.

De slagpartij zit op de wachtbank, op veilige afstand achter de slagplaats. De (blinde) spelers van de veldpartij zitten op hun knieën in het veld. Ziende spelers kunnen gewoon staan. Degene die aan slag is loopt drie stappen naar voren vanaf het midden van de bank, legt daar het balletje op de grond en roept luid en duidelijk:"Daar komt 'ie!". Dan weet de veldpartij dat zij ieder moment de bal kunnen verwachten. Vervolgens slaat de slagman de bal weg met een schuifbeweging met de slagplank. Daarna gaat de slagman lopen langs alle honken.

De veldpartij pakt de bal en rolt die zo snel mogelijk naar de "brander" die rechtsvoor in de hoek van de zaal zit met een emmer als brandplaats. Als de bal in de emmer is gelegd roept de brander "Brand!" en stopt het spel.

De slagman loopt ondertussen langs de verschillende honken (turnmatten). Honk 1 halverwege de rechter muur, honk 2 in de hoek rechtsachterin, honk 3 in de hoek linksachterin, honk 4 halverwege de linker muur en een thuishonk aan het einde van de linker muur. Als er spelers meespelen die hard kunnen rennen dan moet bij het thuishonk genoeg uitloopruimte zijn. Is die uitloop er niet, dan is 4 honken genoeg.

Bij beginners wordt het spel over een half veld gespeeld. De honken achterin de zaal worden dan weggehaald. Overigens moeten de veldspelers dan nog steeds wel het hele veld verdedigen. Alleen voor de loper wordt het veld dus verkleind. Honk 1 is dan halverwege de linker muur. Daarna steekt de loper de zaal dwars over naar honk 2. Dit gebeurt langs een toverkoord dat is vastgemaakt aan de muren/palen. Honk 3 is dan weer aan het einde van de linker muur. Dit is meteen het thuishonk.

Het is voor een brailleleerling prettig als hij het parcours eerst kan verkennen. Ook kan het loopwerk de eerste keren samen met een ziende begeleider worden gedaan. Vervolgens wordt de leerling alleen nog naar het eerste honk begeleid (naar honk 2 is langs een toverkoord en thuishonk is langs een muur, dus dat kan als eerste zelfstandig). De volgende stap is dat de begeleider alvast op honk 1 gaat staan en in zijn handen klapt voor de blinde loper die op het geluid af loopt. De laatste stap is alles zelfstandig lopen.

Aandachtspunten:

  • Zeg altijd: "Daar komt 'ie" voordat je gaat slaan.
  • Na het slaan, plankje neerleggen en niet neergooien of wegwerpen!
  • Laat de brailleleerling zelf bepalen hoeveel hulp hij nodig heeft bij het loopwerk.
  • Zorg voor stilte in de zaal.
  • Zorg ervoor dat er nooit spelers van de veldpartij in de looplijn staan van de slagpartij (de lopers).

 

Zelfstandig werken aan de conditie

Dan is er nog de situatie waarin er geen extra zaal beschikbaar is tijdens het speluur van de klas en ook geen ruimte in het rooster om de leerling op een ander uur een spelactiviteit aan te bieden. In met name het voortgezet onderwijs kan dan worden gekeken naar het alternatief van zelfstandig werken aan bijvoorbeeld fitnessopdrachten. Dit kan in een kleine ruimte waar een fitnessapparaat kan staan of buiten. De vakleerkracht geeft aan de klas de spelles en de brailleleerling is zelfstandig bezig met het werken aan zijn conditie. Het kan goed werken om voor een bepaalde periode samen met de leerling een trainingsschema te maken zodat de leerling met duidelijke trainingsopdrachten aan het werk kan en merkt dat hij iets opbouwt.

Het werken aan de conditie is voor veel brailleleerlingen een goede activiteit omdat zij hiertoe in het dagelijks leven meestal weinig gelegenheid hebben. Door hun visuele beperking kunnen zij niet naar school fietsen, of zelf gaan joggen door het park. Om dit op een school te kunnen aanbieden is goede fitnessapparatuur nodig zoals een loopband, een crosstrainer, een hometrainer (fiets), of een roeiergometer. Deze apparaten kosten veel geld en zijn vaak goed tweedehands aan te schaffen via sportscholen die hun hele inventaris vernieuwen.

Mogelijkheden:

  • De leerling volgt binnen (in een aparte ruimte) een fitnessprogramma op de loopband, crosstrainer, hometrainer of roeiergometer
  • Buiten aan de slag met een duurloop op het veld samen met een medeleerling (als de leerling nog ziet, achter de klasgenoot aanrennen, of als de leerling volblind is, vast door middel van een lintje)
  • Buiten een stuk fietsen op een tandem samen met een medeleerling

N.B.

Bespreek met directie het buiten sporten met een medeleerling zodat voor iedereen helder is waar de verantwoordelijkheid ligt voor de veiligheid van de beide leerlingen. Tenslotte zijn ze ergens anders bezig, zonder toezicht van een leerkracht. Het kan best zijn dat er wordt besloten hier niet aan te beginnen. Dit zou des te meer reden zijn om tot de aanschaf van een of meerdere fitnessapparaten over te gaan.

Zwemmen

Het zwemonderwijs wordt voor leerlingen in het regulier onderwijs verzorgd door zweminstructeurs. Onderstaand is dan ook vooral voor de zweminstructeur bestemd. Zwemmen is een activiteit waarbij de leerling zich vrij kan bewegen, zonder stoten of vallen en die op den duur redelijk zelfstandig kan worden beoefend.

Voor de beginners

  • Zorg voor zwemonderwijs in een zo klein mogelijke groep (soms is zelfs een op een begeleiding noodzakelijk, omdat brailleleerlingen alleen door middel van manuele begeleiding het zwemmen aanleren).
  • Zowel de fase van watervrij worden als de aanleerfase van de slagen, duurt veel langer dan bij ziende kinderen.
  • Vooral het op de rug zwemmen bezorgt beginnende zwemmers vaak veel angst, omdat de oren dan in het water liggen waardoor het belangrijkste zintuig wordt uitgeschakeld.
  • Brailleleerlingen moeten bij het aanleren van de slagen langdurig manueel worden begeleid door iemand die de technieken goed beheerst (de zweminstructeur of een vakleerkracht bewegingsonderwijs).

Voor leerlingen in het diepe bad

  • Geef de brailleleerling structuur door het gebruik van ballenlijnen. Langs de ene lijn heen en via de andere lijn terug zwemmen.
  • Geef de groep een duidelijke zwemrichting in de baan mee. Dit voorkomt botsingen.
  • Laat bij het zwemmen op de rug, de arm uitsteken naar achteren als de leerling bijna bij het einde is, om de kant te voelen aankomen. Zet er de eerste paar keren een begeleider, voor de veiligheid.
  • Leg opdrachten heel duidelijk uit (ze kunnen het niet afkijken).
  • Vul op de kant verbale instructie aan met manuele instructie (laten voelen).
  • Geef bij onder-water-opdrachten waarbij er een bepaalde afstand moet worden overbrugd, het einde aan door middel van tikken tegen de trap met een metalen voorwerp (vb een trouwring). Dit hoort de leerling onder water heel goed. Dan weet de leerling dat hij bij het einde is.
  • Door het zeil met het gat zwemmen: zet de leerling recht voor het gat klaar op de kant. Eerst het rechtdoor zwemmen oefenen vanaf de muur in het water.
  • Bij onder water opdrachten waarbij er iets van de bodem moet worden opgedoken: vergroot het voorwerp extreem als de leerling nog wat ziet (vb gele pop) en laat alleen aantikken, of vraag dispensatie aan voor het opduiken, maar laat wel de bodem aantikken.