Het is niet eenvoudig om bewegingsonderwijs te geven aan een reguliere klas met een brailleleerling erin. Er zijn activiteiten waaraan de braille leerling met enige aanpassing mee zal kunnen doen, maar er zijn ook activiteiten waaraan de braille leerling niet zinvol kan deelnemen. Op die momenten zal er een alternatief moeten worden gevonden, zodat de leerling toch de tijd krijgt om te leren bewegen.
In dit stuk wordt aandacht besteed aan beide situaties: het meedoen met de klas en het niet meer meedoen met de klas.
Algemeen
Houd rekening met:
Aandachtspunten voor de leerkracht:
Gevolgen voor de organisatie van de les:
Aanpassingen bij het meedoen met de klas
Turnen/toestellen
Atletiek
Spel
Op jonge leeftijd lukt het meestal nog wel om de braille leerling te integreren in de spelles. Het leren rollen, leren gooien, leren stuiteren met een bal, leren mikken van een pittenzakje op een mat, lukt meestal nog wel. Toch is het bij de jongste groepen al belangrijk dat de brailleleerling spelactiviteiten wordt aangeboden die gericht zijn op de specifieke mogelijkheden van deze leerling. Dit houdt meestal in, dat er een rinkelbal wordt gebruikt en dat balspelen over de grond worden aangeboden.
Als het niet meer lukt
Op latere leeftijd is het voor brailleleerlingen niet meer mogelijk om zinvol deel te nemen aan spelactiviteiten met de klas. Denk maar aan volleybal, basketbal, voetbal, badminton, tikspelen met de hele klas etc.
Op dat moment is het de taak van de school, om de mogelijkheden te bekijken om een alternatief aan te bieden. Bedenk dat het juist voor de brailleleerling van groot belang is, dat hij goed leert bewegen, zich goed leert oriënteren en zich veilig voelt in bewegingssituaties. Deze leerling heeft al meer tijd nodig om zich vaardigheden eigen te maken. Die ervaringstijd is nodig.
Mogelijkheden hangen samen met de beschikbaarheid van:
MRT op een ander tijdstip dan het klassenuur bewegingsonderwijs
Als er een vakleerkracht is die MRT (Motorische Remedial Teaching) uren in zijn rooster heeft, dan kan hij samen met de brailleleerling aan de slag. Dit kan ook in een kleine groep zijn, samen met andere leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. Is er geen vakleerkracht (bijvoorbeeld op veel basisscholen) dan kan dit ook worden opgepakt door de groepsleerkracht, assistent of een stagiaire.
De activiteiten die voor de leerling belangrijk zijn om te ontwikkelen, komen hierin aan bod. Zo kan worden gekozen voor extra tijd voor turnen (herhaling van de turnles met de klas), maar kan ook worden gekozen om nu juist een balspel over de grond aan te bieden, nu er geen lawaai in de zaal is.
Spel tijdens spel
Als er geen MRT uren beschikbaar zijn van een vakleerkracht, maar wel een extra zaal èn een begeleider tijdens het speluur van de klas, dan kan ervoor worden gekozen om de brailleleerling aan de slag te laten gaan met een spel dat voor hem zinvol is. Het is belangrijk dat de begeleider weet wat de bedoeling is en waar de leerdoelen op zijn gericht. Ook is het dan prettig als de leerkracht af en toe even komt kijken hoe het gaat en daar waar nodig aanwijzingen geeft.
Voorbeelden van balspelen voor brailleleerlingen (zie bijlage)
Deze spelen kunnen niet worden aangeboden in de zaal waar de hele klas zelf bezig is, omdat de leerling in staat moet worden gesteld om zich optimaal te oriënteren op het geluid (via de muren) en natuurlijk op het geluid van de rinkelbal. Ook wordt voor goalbal en slagbal de hele zaal gebruikt. In de bijlage wordt een beschrijving gegeven van bovenstaande spelvormen.
Goalbal
Goalbal is een doelspel waarbij de ene partij door middel van het rollen van een rinkelbal, de muur van de tegenpartij moet raken. Goalbal kan 1 tegen 1 worden gespeeld, maar ook 2 tegen 2, of 3 tegen 3. De doelbreedte op de muur kan worden aangepast aan het niveau. Ook kan de werpafstand worden aangepast door het spel over de breedte van de zaal te spelen in plaats van over lengte, of door het afbakenen van de afstand met twee banken die op hun kant liggen.
Goalbal wordt altijd gespeeld met een rinkelbal. Gebruik een bal die past bij het niveau van de leerling. De officiële goalbal weegt maarliefst 1250 gram en is alleen geschikt voor de gevorderde spelers. Bij verschillende leveranciers van sportmaterialen zijn ballen verkrijgbaar voor beginners (vb Nijha Lochem). Bij leerlingen die nog wat kunnen zien, is de kleur van de bal ook belangrijk. Zij gebruiken niet alleen hun gehoor, maar maken ook gebruik van hun restvisus.
De spelers die de bal moeten tegenhouden, zitten op hun knieën voor de muur op de grond of op een mat. Je kunt ervoor kiezen om langs de hele breedte van de muur (het doel) dunne, platte matten te leggen (fysiotherapiematten). Deze matten zorgen ervoor dat het duiken naar de bal minder pijnlijk is en geven de spelers extra oriëntatie informatie. Leerlingen die aan het werpen zijn, doen dit staand (bij gevorderden). Beginners blijven meestal op hun knieën zitten bij het rollen.
Aandachtspunten:
Showdown
Officieel wordt het spel showdown op een speciale showdowntafel gespeeld. De meeste scholen beschikken niet over een dergelijke tafel. Het spel kan ook op de grond worden gespeeld.
Showdown wordt met een kleine lichte rinkelbal gespeeld en een batje. Dit is een langwerpig slagplankje waarmee de rinkelbal vooruit wordt geschoven/geslagen. Deze materialen zijn verkrijgbaar bij Mare Didakt. De officiële showdownbal is hard en snel. Afhankelijk van het niveau kan een ander type balletje worden gekozen. Als er met de harde bal wordt gespeeld, dan moeten de spelers beschermhandschoenen dragen.
Showdown wordt 1 tegen 1 gespeeld, maar kan ook 2 tegen 2 worden aangeboden. De spelers zitten op een turnmat (of 2 matten naast elkaar) tegenover elkaar. Zij moeten de voorkant van hun mat verdedigen met hun batje. Er is gescoord als de partij die de bal slaat, met de bal de voorkant van de matten van de tegenpartij raakt. De tegenpartij moet de bal onderscheppen met het batje, voordat hij de rand van de mat raakt.
De zijkanten van het veld worden afgebakend door een muur en met banken. Zo ontstaat er een veld van ongeveer 1-2 meter breed en circa 4 meter lang. Breedte en lengte van het veld kan gemakkelijk worden aangepast aan het spelersniveau.
Je kunt ook als doel een bank gebruiken die op de zijkant is gekanteld. De speler zit achter de bank en verdedigt de hele breedte van de bank.
Aandachtspunten
Slagbal
Slagbal kan prima worden gespeeld met een kleine groep leerlingen waarin ook een brailleleerling zit. 4 tegen 4 is een goed aantal. Het spel wordt dan over de grond gespeeld. Het wordt gespeeld met een klein gatenballetje met belletjes erin en een slagplank. Geschikte gatenballen zijn bij verschillende sportleveranciers verkrijgbaar. Je kunt er zelf belletjes in drukken die te koop zijn bij naaizaken.
De slagpartij zit op de wachtbank, op veilige afstand achter de slagplaats. De (blinde) spelers van de veldpartij zitten op hun knieën in het veld. Ziende spelers kunnen gewoon staan. Degene die aan slag is loopt drie stappen naar voren vanaf het midden van de bank, legt daar het balletje op de grond en roept luid en duidelijk:"Daar komt 'ie!". Dan weet de veldpartij dat zij ieder moment de bal kunnen verwachten. Vervolgens slaat de slagman de bal weg met een schuifbeweging met de slagplank. Daarna gaat de slagman lopen langs alle honken.
De veldpartij pakt de bal en rolt die zo snel mogelijk naar de "brander" die rechtsvoor in de hoek van de zaal zit met een emmer als brandplaats. Als de bal in de emmer is gelegd roept de brander "Brand!" en stopt het spel.
De slagman loopt ondertussen langs de verschillende honken (turnmatten). Honk 1 halverwege de rechter muur, honk 2 in de hoek rechtsachterin, honk 3 in de hoek linksachterin, honk 4 halverwege de linker muur en een thuishonk aan het einde van de linker muur. Als er spelers meespelen die hard kunnen rennen dan moet bij het thuishonk genoeg uitloopruimte zijn. Is die uitloop er niet, dan is 4 honken genoeg.
Bij beginners wordt het spel over een half veld gespeeld. De honken achterin de zaal worden dan weggehaald. Overigens moeten de veldspelers dan nog steeds wel het hele veld verdedigen. Alleen voor de loper wordt het veld dus verkleind. Honk 1 is dan halverwege de linker muur. Daarna steekt de loper de zaal dwars over naar honk 2. Dit gebeurt langs een toverkoord dat is vastgemaakt aan de muren/palen. Honk 3 is dan weer aan het einde van de linker muur. Dit is meteen het thuishonk.
Het is voor een brailleleerling prettig als hij het parcours eerst kan verkennen. Ook kan het loopwerk de eerste keren samen met een ziende begeleider worden gedaan. Vervolgens wordt de leerling alleen nog naar het eerste honk begeleid (naar honk 2 is langs een toverkoord en thuishonk is langs een muur, dus dat kan als eerste zelfstandig). De volgende stap is dat de begeleider alvast op honk 1 gaat staan en in zijn handen klapt voor de blinde loper die op het geluid af loopt. De laatste stap is alles zelfstandig lopen.
Aandachtspunten:
Zelfstandig werken aan de conditie
Dan is er nog de situatie waarin er geen extra zaal beschikbaar is tijdens het speluur van de klas en ook geen ruimte in het rooster om de leerling op een ander uur een spelactiviteit aan te bieden. In met name het voortgezet onderwijs kan dan worden gekeken naar het alternatief van zelfstandig werken aan bijvoorbeeld fitnessopdrachten. Dit kan in een kleine ruimte waar een fitnessapparaat kan staan of buiten. De vakleerkracht geeft aan de klas de spelles en de brailleleerling is zelfstandig bezig met het werken aan zijn conditie. Het kan goed werken om voor een bepaalde periode samen met de leerling een trainingsschema te maken zodat de leerling met duidelijke trainingsopdrachten aan het werk kan en merkt dat hij iets opbouwt.
Het werken aan de conditie is voor veel brailleleerlingen een goede activiteit omdat zij hiertoe in het dagelijks leven meestal weinig gelegenheid hebben. Door hun visuele beperking kunnen zij niet naar school fietsen, of zelf gaan joggen door het park. Om dit op een school te kunnen aanbieden is goede fitnessapparatuur nodig zoals een loopband, een crosstrainer, een hometrainer (fiets), of een roeiergometer. Deze apparaten kosten veel geld en zijn vaak goed tweedehands aan te schaffen via sportscholen die hun hele inventaris vernieuwen.
Mogelijkheden:
N.B.
Bespreek met directie het buiten sporten met een medeleerling zodat voor iedereen helder is waar de verantwoordelijkheid ligt voor de veiligheid van de beide leerlingen. Tenslotte zijn ze ergens anders bezig, zonder toezicht van een leerkracht. Het kan best zijn dat er wordt besloten hier niet aan te beginnen. Dit zou des te meer reden zijn om tot de aanschaf van een of meerdere fitnessapparaten over te gaan.
Zwemmen
Het zwemonderwijs wordt voor leerlingen in het regulier onderwijs verzorgd door zweminstructeurs. Onderstaand is dan ook vooral voor de zweminstructeur bestemd. Zwemmen is een activiteit waarbij de leerling zich vrij kan bewegen, zonder stoten of vallen en die op den duur redelijk zelfstandig kan worden beoefend.
Voor de beginners
Voor leerlingen in het diepe bad