Zoeken
MRT aan kinderen met een visuele beperking
Inleiding
Een groot deel van de kinderen die blind of slechtziend zijn, gaat naar een school voor regulier basisonderwijs. Deze groep kinderen volgt dus ook regulier bewegingsonderwijs. Soms gaat dit best goed, soms gaat dit moeizaam. Dit hangt mede af van de mate waarin het kind slechtziend is. De visuele beperking heeft namelijk gevolgen voor de motorische ontwikkeling. Hoe minder het kind ziet, hoe meer het in de gymles op de tenen moet lopen om het tempo van de klas bij te kunnen benen. Met extra hulp in de gymles, organisatorische aanpassingen en specifieke materialen lukt het regelmatig om de gymles toegankelijk te maken voor het slechtziende kind. Maar niet in alle gevallen is dit voldoende. Soms is het motorisch niveauverschil tussen het slechtziende/blinde kind en de rest van de klas zo groot, dat het niet zinvol en niet veilig is om met de klas mee te gymmen. Meestal gaat het hier om blinde of zeer slechtziende leerlingen. In deze tekst wordt deze groep aangeduid met de term brailleleerlingen (is korter). Als zo’n leerling niet kan meedoen in de klassikale gymles, zou het mooi zijn als er een alternatief geboden kan worden. MRT (staat voor motorische remedial teaching) is een gymles aan een klein groepje kinderen (2-6 lln) die om wat voor reden een motorische achterstand hebben. Door de kleine groepsgrootte is er ruimte om tegemoet te komen aan de specifieke eisen die de leerling stelt om zich motorisch te kunnen ontwikkelen.
MRT aan het blinde of zeer slechtziende kind
Bij zeer slechtziende en blinde kinderen wordt bij de klassikale gymles meteen duidelijk dat het spelonderwijs voor hen niet te volgen is. Ze zien de bal niet, zien de tikker niet, zien niet wie hun teamgenoten en wie de tegenstanders zijn, zien de goal niet. Kortom: ze staan misschien wel in het veld, maar doen niet mee. Maar ook bij toestelonderdelen vraagt deze groep leerlingen om specifieke aanpassingen. Op de eerste plaats is het motorisch niveau een stuk lager dan de normgroep, wat betekent dat de opdracht vereenvoudigd moet worden aangeboden. Ook het tempo van de leerling ligt lager en is er veel meer tijd nodig om nieuwe vaardigheden onder de knie te krijgen. Tot slot wordt een groter beroep gedaan op manuele hulp op toestelsituaties (het laten voelen van een beweging). Dit vraagt van de lesgevende veel tijd en die tijd heeft de leerkracht niet tijdens de klassikale gymles.
Toestelsituaties
Minitrampoline
Omdat brailleleerlingen de trampoline meestal niet zien staan, kunnen ze ook niet met een aanloop springen. Ze springen door middel van herhaald springen uit de trampoline.
- Zet de minitrampoline met de lage kant naar het landingsvlak toe (dus andersom). Een andere mogelijkheid is om vanuit een verhoging in de minitramp te springen.
- Laat de leerling eerst het arrangement voelen zodat hij weet hoe ver, hoe hoog, hoe lang alles is.
- Zorg voor duidelijke teruglooproutes waarbij ze niet over spullen struikelen. Zelf teruglopen vergoot ook weer de zelfstandigheid van de leerling.
Grote trampoline (VO)
Een grote trampoline is een zeer toegankelijk toestel waarop de brailleleerling zelfstandig kan springen. Het herhaald springen en de lange vluchtfase levert vaak veel plezier op.
- Leer de leerling zelf te onderzoeken waar het midden van het springvlak zich bevindt.
- Leer hem af te remmen zo gauw hij merkt dat hij aan de randen komt.
- Sluit de tramp in tussen muren, dikke matten en vangers.
Ringenzwaaien/touwzwaaien
- Zorg ervoor dat er veilige heen- en teruglooproutes zijn waarbij je nooit door de zwaaibaan heen loopt. Voor de rest zijn er geen aanpassingen nodig bij zwaaisituaties.
- Laat het afzetritme met de voeten horen tijdens een voorbeeld.
- Laat de leerling tijdens het zwaaien voelen hoe de benen gestrekt doorzwaaien naar voren en naar achteren.
Balanceren
- Verbreed loopvlakken
- Maak het loopvlak lager
- Maak het loopvlak minder schuin
- Maak het zodanig dat de leerling het zo zelfstandig mogelijk kan uitvoeren. Hoe minder hulp nodig, hoe beter!
- Zet een lange balanceerbaan op of een route die in een vierkant is opgesteld, zodat de leerling achter elkaar door kan oefenen.
Spelsituaties
In de klassikale lessen komen brailleleerlingen niet of nauwelijks toe aan het ontwikkelen van hun spelvaardigheden. Brailleleerlingen hebben stilte nodig in de zaal om zich goed te kunnen oriënteren en om de bal of de tikker te kunnen horen. Dat lukt niet met veel andere enthousiast bewegende kinderen om hen heen. Het zich leren oriënteren en goed luisteren naar de bal en naar de muren via echolocatie is dan ook juist een belangrijk doel van de spellessen.
Vrij rennen door de zaal
Is eigenlijk niet echt een spel, maar ik zet hem er toch bij omdat dit zo belangrijk is om te ervaren. Je hebt alleen een lege zaal nodig. De brailleleerling staat aan de ene kant van de zaal, leerkracht aan de andere kant. Als de leerkracht gaat klappen in de handen, mag de leerling gaan rennen. Zo hard als hij durft. Zelf de muur aantikken en teruglopen via zijkant (de lange muur). Dit kan ook heel goed buiten aangeboden worden op een grasveld of een plein. Het vrij durven rennen zonder obstakels kan een bevrijding, een overwinning zijn voor een brailleleerling.
Estafette
Het vrij rennen spel kan worden uitgebouwd naar een estafettevorm.
- Zorg voor een veilige teruglooproute, die niet te dicht naast de sprintroute ligt.
- Zorg voor een volwassene die bij de finish staat te klappen/geluid maakt.
Goalball
Bij het spel goalball is het de bedoeling dat de bal naar de overkant van het veld wordt gerold om daar de achtermuur te raken. Dit spel kun je al met 2 personen, tot max. 6 personen (3 tegen 3) spelen. Een rinkelbal kan bij Nijha worden aangeschaft (www.nijha.nl). De bal heet KIXZ (voetbalmaat). Dit is niet de officiële wedstrijdbal, maar een lichtere, vriendelijkere versie. De spelers hebben een eigen plek waar zij op hun knieën zitten. Deze plek kan worden aangegeven met een tapelijn op de grond (geel tape voor kind dat nog iets kan zien, te koop bij de Gamma). Je kunt ook gebruik maken van platte fysiomatten om op te zitten (geen turnmatten die zijn te dik en daarvan stuitert de bal omhoog). Spelregels:
- De bal moet worden gerold (moet voor de middenlijn van het veld de grond hebben geraakt)
- Als een speler een highball gooit (dus gooien over de middenlijn) dan volgt er een penalty. Hierbij moet de overtreder zijn muur in zijn eentje verdedigen.
- De bal moet binnen 10 seconden weer verwerkt zijn en over de middenlijn zijn gerold (voor iets meer gevorderde spelers)
- Als de bal de zijmuur raakt is de bal uit.
Vaardigheden: Tweehandig en eenhandig rollen. Zijwaarts vallen/duiken. Plek weer terugvinden (oriëntatie).
Slagbal
Bij het spel slagbal kunnen er punten worden gescoord door alle honken langs te rennen en het thuishonk te halen voordat de bal bij de brander is. Je kunt dit spel al met 3 spelers spelen. Een speler aan slag, een in het veld en een als brander. Nodig: Een kleine rinkelbal (KIXZ handbalmaat, te koop bij Nijha) of een klein gatenballetje (ook Nijha) waar je belletjes in doet. Slagplank, matten (honken), emmer of mand (brandplek) Leg de matten zoveel mogelijk langs de muren zodat de brailleleerling zich kan oriënteren aan de muur. Spelregels
- Voordat je gaat slaan roep je “Daar komtie”. Dan weet de veldpartij dat het spel gaat beginnen. Het moet dan helemaal stil zijn.
- Leg de bal neer op de grond en sla hem met plankje weg (startmat)
- Plankje netjes neerleggen (niet weggooien) als je naar het honk gaat rennen.
- Zet veldspelers niet in de looplijnen van de slagpartij.
- Rol de bal naar de brander, niet gooien want dan maakt de bal geen geluid.
- Als de loper niet op een honk staat als er wordt gebrand moet hij een honk terug/is hij uit.
- Als je met weinig spelers bent, dan krijg je een punt voor ieder honk dat je hebt gehaald.
Het zelf lopen langs de honken kan voor een brailleleerling best spannend zijn. Maak het veld eerst niet te groot (halve zaal). Loop eerst samen aan de hand. Daarna als lesgevende vooruit lopen en klappen/roepen. Laatste fase is helemaal zelfstandig. Niet alle brailleleerlingen zullen misschien die laatste fase halen. Het gaat erom dat ze het zo zelfstandig mogelijk doen.
Overlopertje
Veel tikspelletjes zijn voor brailleleerlingen niet veilig omdat alle kinderen door elkaar heen rennen waarbij de kans op botsingen groot is. Een overloopspel kan wel geschikt zijn. Dit overloopspel kan worden gespeeld met ziende en blinde leerlingen door elkaar. Nodig; 2 matten, pittenzakken, geel hesje, rinkelbelletje om de pols Maak een veld waarbij er in het midden een tikker loopt (die kan zien). Als de brailleleerling nog iets kan zien kan het zinvol zijn om de tikker een felgekleurd geel hesje aan te doen (Ikea, Hema, Xenos, Nijha). Als hij blind is, draagt de tikker een polsbandje met belletjes (speelgoedwinkel). De brailleleerling is een van de overstekers (lopers). Hij loopt van de ene mat, door het tikveld heen, naar de andere mat. Die matten liggen aan de buitenkant van het tikveld precies recht tegenover elkaar. Aan de buitenkanten van het tikveld is het risico dat je wordt getikt kleiner dan in het midden van het veld. In het midden lopen de kinderen die kunnen zien en geen matten nodig hebben om zich te oriënteren. De loper moet zijn pittenzakken een voor een van de ene mat naar de andere mat brengen (of daar ergens in een mand stoppen/ in een hoepel leggen). De afstand tussen de matten kan afhankelijk van de loopsnelheid worden vergoot of verkleind. Regels:
- Andere lopers mogen niet door de baan van de brailleleerling rennen.
- Als een ziende loper een pittenzak naar de overkant heeft gebracht, moet hij om het veld heen teruglopen (dus niet door het veld heen terugrennen).
- De brailleleerling mag wel in zijn eigen baan teruglopen naar zijn mat waar de pittenzakjes liggen.
Judo
Judo- en stoeivormen zijn bijzonder geschikt om voor kinderen met een visuele beperking. Het prettige van deze tak van sport is dat je elkaar vast hebt. Je kunt de leerling laten voelen hoe je de beweging kunt maken. Stoeivormen zijn perfect om het lichaamsbeeld van de leerling op te bouwen. Ook leert het kind zijn kracht inzetten en zijn balans bewaren. Stoeivormen eerst laag bij de grond aanbieden. Oefeningen zoals iemand zijwaarts omver kantelen, stevig blijven zitten zonder te vallen, zijwaarts vallen, voorwaarts valbreken, afslaan, voorwaartse judorol, achterwaarts vallen en valbreken, duw- en trekvormen, houdgreep aanleggen, houdgreep vasthouden kunnen allemaal laag worden aangeboden.
April 2011
Renske Musch
Vakleerkracht bewegingsonderwijs Bartimeus
rmusch@bartimeus.nl



