Practische wenken slechtziende leerling in het basisonderwijs groep 1 + 2

28 januari 2008

Praktische wenken

  1. Laat de leerling zo gewoon mogelijk meedoen aan alle activiteiten. Sluit hem niet uit op grond van zijn beperking.
  2. Spreek het kind aan op zijn niveau, niet te hoog en zeker niet te laag. Juist voor het slechtziende kind zijn succeservaringen belangrijk voor de ontwikkeling van een gezond gevoel voor eigenwaarde.
  3. Gun de leerling bij zijn start op school wat meer tijd te wennen aan het schoolleven van alledag.
  4. Probeer door observatie en persoonlijk contact er achter te komen of extra individuele aandacht voor de leerling nodig is. We denken daarbij ook aan het schoolplein en de gymzaal.
  5. Benoem naar ouders wat al goed gaat en maak eventuele problemen bespreekbaar. Schroom niet hen uw vragen over de slechtziendheid te stellen.
  6. Probeert u als onderwijsgevende steeds bewust te zijn van de consequenties van de oogafwijking en het gebruik van optische of andere hulpmiddelen zoals bril, schuine tafel. Mogelijk zijn er ook aanpassingen nodig bij de gymnastiekles in verband met een verhoogd risico.
  7. Overleg met de ontwikkelingsbegeleidster wat de beste plaats is in de kring met betrekking tot het licht en de positie van de leerkracht.
  8. Bij de meeste slechtzienden is het verzien gestoord, herkenning en oogcontact zijn daardoor moeilijk zo niet onmogelijk. Ook mimiek en/of gebaren worden slecht waargenomen. Door dichter naar de leerling toe te gaan en de mimiek dan wel de gebaren verbaal te ondersteunen worden misverstanden voorkomen. Het knipoogje werkt niet, het schouderklopje wel.
  9. Zorg voor goede lichtomstandigheden op de werkplek. Voor sommigen is extra individuele verlichting noodzakelijk, voor anderen is een donker hoekje een ideale plek.
  10. Kleurcontrasten zijn van groot belang om beter te zien.
  11. Stiften geven een duidelijker contrast. Dikke zwarte lijnen (bij een kleurplaat of werkblad) helpen kijken makkelijker te maken.
  12. Geef de leerling de vrijheid om, indien nodig, dichterbij een voorwerp te komen kijken of vooraan te staan bij de uitleg van een werkje dan wel spel in de gymzaal.
  13. Verifieer, als de leerling aan het werk gaat, of hij de uitleg en de bedoeling van een werkje of techniek heeft begrepen.
  14. Geef bij demonstraties of instructies de leerling de gelegenheid erbij te komen staan. Laat hem eventueel assisteren.
  15. Laat indien mogelijk de dagindeling, prikborden, de op te hangen werkjes, de klok e.d. tot op ooghoogte zakken.
  16. Voor een leerling, die erg dicht op zijn werk zit, is i.v.m. het voorkomen van houdingsafwijkingen, de aanschaf van een verstelbare leerlingenset (tafel en stoel) al vroeg noodzakelijk.
  17. Laat de leerling zelf de kijkafstand bepalen. Geef hem het voorwerp of prentenboek in handen. Het voelen en ruiken van voorwerpen geeft extra informatie en stimuleert de bewustwording en het gebruik van de andere zintuigen.
  18. Zorg dat de leerling, bij het voorbereidend schrijven, schrijfgerei met een duidelijk contrast gebruikt en papier met duidelijke lijnen (indien daarmee wordt gewerkt) heeft.
  19. Stel eisen aan gestructureerd werken.
  20. Moedig de leerling aan tot intensief kijken door gericht vragen te stellen over datgene wat bekeken moet worden. De ogen gaan hiervan niet achteruit. Wel kost het extra inspanning.
  21. Bedenk dat kijken extra tijd kost. Een slechtziende leerling heeft doorgaans meer tijd nodig voor het opzoeken, systematisch verkennen, vergelijken, terugzoeken e.d. dan een goedziende leerling. Het kijken kost meer inspanning en vraagt meer concentratie. Geef de leerling daarom de tijd en ruimte om tot intensief kijken te komen.

Zoek