Zoeken
Slechtziende leerling in de (speciale) school voor basisonderwijs groep 3 – 8
| Snelmenu |
|---|
1. Type leerling
Ongeveer 70% van de slechtziende leerlingen in de leeftijd van 4 – 12 jaar volgt ge√Øntegreerd onderwijs in de (speciale) school voor basisonderwijs.
De problemen die de slechtziende leerling in de basisschoolleeftijd tegenkomt, blijven vaak niet beperkt tot het nabijzien en het op afstand zien. De verminderde visus kan consequenties hebben voor de cognitieve, motorische en sociaal-emotionele ontwikkeling van de leerling. De verscheidenheid aan vormen van slechtziendheid is groot, evenals de verscheidenheid van manieren waarmee de leerling hiermee omgaat.
Mede daarom is het moeilijk een algemeen geldende beschrijving van het type leerling te geven. Toch is een aantal aspecten van psychologische en pedagogische aard te noemen dat een beter begrip van het slechtziende kind in de leeftijdsfase van 4 – 12 jaar mogelijk maakt.
Psychologische aspecten
Behalve door de ernst van de visuele stoornis wordt de kwaliteit van het zien in belangrijke mate bepaald door factoren als grootte, contrast, kleur, lichtinval, lichtsterkte, lichamelijke gesteldheid, motivatie en werkdruk. Hierdoor kan het voorkomen, dat de leerling de ene keer meer ziet dan de andere keer. Het wisselend prestatiepatroon leidt vaak tot onbegrip bij mensen die met de leerling werken. Als er dan verkeerde conclusies worden getrokken, bijvoorbeeld dat de leerling lui is of zich aanstelt, kan de leerling zich afgewezen voelen en een gevoel van onzekerheid en minderwaardigheid ontwikkelen. Slechtziende leerlingen die geen bril dragen en nauwelijks opvallen, kunnen te maken krijgen met overschatting. Doordat er (te) veel van hen verwacht wordt, moeten ze op hun tenen lopen en krijgen daardoor sterke onmachtgevoelens. Soms zijn ze zelfs eerst in het onderwijs vastgelopen, voordat ze als slechtziende herkend worden.
Onderschatting daarentegen komt ook voor, wat kan uitmonden in verwenning en overbescherming. Zowel over- als onderschatting van de visuele mogelijkheden kunnen zich vertalen in een egocentrische instelling en in moeilijkheden in de sociaal-emotionele sfeer. Niet zelden toont een slechtziend kind in zo’n geval een gebrek aan zelfstandigheid, exploratiedrang, concentratie en motivatie. Negatieve ervaringen kunnen ertoe leiden dat de leerling alle moeite zal doen om de visuele beperking voor de buitenwereld verborgen te houden.
Pedagogische aspecten
De taak van de opvoeder is om binnen de grenzen van het haalbare de eigen mogelijkheden van de leerling te helpen ontwikkelen. Als de opvoeder leert leven met een slechtziend kind, kan het kind leren leven met zijn visuele beperking.
Bovengenoemde pedagogische taak is pas te realiseren als men de mogelijkheden kent. De slechtziende leerling stuit echter herhaaldelijk op verkeerde reacties van zowel volwassenen als van andere kinderen, meestal gebaseerd op onwetendheid.
Derden in te lichten over aard en consequenties van de slechtziendheid is dan ook een belangrijke taak van de opvoeder. Daarnaast moet hij samen met de slechtziende leerling leren ontdekken wat haalbaar is. Door doelstellingen af te stemmen op de mogelijkheden van het individuele kind leert de slechtziende zijn grenzen gemakkelijker accepteren. Wederzijds begrip en vertrouwen zijn hierbij onontbeerlijk.
Door zijn handicap heeft de slechtziende leerling moeite met het overzien van zijn leef-, spel- en werkomgeving en heeft hij hulp nodig bij het aanbrengen van structuur. Daarnaast is het streven naar zelfstandigheid een belangrijk aspect van de opvoeding: de leerling vaardigheden aanleren, waardoor hij niet altijd op hulp van anderen is aangewezen. Soms is enige sturing in het aangaan van sociale contacten, bijvoorbeeld in de vorm van vrijetijdsbesteding, nodig.
2 Voorbereiding op schoolniveau
Het verzoek tot plaatsing van een slechtziende leerling roept bij directies en leraren van basisscholen veel vragen op. Terecht, dat men zorgvuldig wil overwegen of de school dat in haar geheel aankan.
In die voorbereidingsfase is het belangrijk dat ouders, personeel basisschool en ambulant onderwijskundig begeleider in gezamenlijk overleg tot een concreet beeld komen over wat dit van de school vraagt en welke externe organisaties en mensen daarbij behulpzaam kunnen zijn. Ook al ligt de beslissingsbevoegdheid tot toelating niet bij het team, het is toch van belang dat een dergelijk verzoek op een breed draagvlak binnen de school kan rekenen.
3 Organisatie van de omgeving
Structuur en ordening zijn voor een slechtziende leerling in de schoolsituaties van groot belang. Om die op de juiste manier te organiseren is aandacht nodig voor de volgende zaken:
Het schoolgebouw
Het is belangrijk dat de slechtziende leerling de weg in school kent, zodat hij in staat is zelfstandig iedere gewenste ruimte te vinden. Men doet er goed aan bepaalde ruimten ( denk hierbij bijv. ook aan het gymlokaal), met de leerling te verkennen, zodat hij een idee krijgt van grootte en indeling. Daarbij moet men erop bedacht zijn dat verandering van licht, bijvoorbeeld bij de overgang van een lokaal naar een donkere gang, soms tot desoriëntatie kan leiden.
De leerling moet gewezen worden op obstakels, afstapjes, trappen en donkere stukken in de school. Soms is het prettig de hele klas op verkenningstocht te sturen. De slechtziende leerling is dan geen uitzondering.
Om veiligheid en duidelijkheid binnen het schoolgebouw en klaslokaal te vergroten kunnen de volgende punten van belang zijn:
-
eenvoudige inrichting met zo min mogelijk obstakels;
-
juiste verlichting;
-
goede kleurcontrasten;
-
aanduidingen op ooghoogte;
-
prettige akoestiek.
Plaats in de klas
De beste plaats voor een slechtziende leerling zal veelal vooraan, middenvoor, op korte afstand van het bord zijn. De juiste plaats en afstand ten opzichte van het schoolbord kan het best in samenspraak met de leerling worden bepaald. Lichtinval is daarbij ook een belangrijke factor. Het is storend wanneer de leerling direct in het licht kijkt. Wanneer de leerkracht uitleg geeft kan hij beter niet voor het raam gaan staan. Geef de leerling de vrijheid om, zo nodig, naar het bord toe te lopen of de tafel te verschuiven.
Ordening in de klas
Slechtziende leerlingen zijn gebaat bij een vaste ordening in de klas. Ook voor de leerling zelf is het belangrijk dat hij ordening leert aanbrengen in zijn spulletjes. Geef bijv. wandplaten en kaarten een vaste plaats en hang ze op ooghoogte.
Helpen en geholpen worden
Een visuele beperking is niet altijd zichtbaar. Dat kan leiden tot een onderschatting van de aandoening. Zeker jonge kinderen hebben begeleiding nodig in het vragen om hulp en het zich bewust worden van wat ze wel en niet kunnen. Oudere leerlingen moeten er geleidelijk aan wennen zelf om hulp te vragen. Dat leren ze door de problemen te benoemen en samen afspraken te maken.
Vermijd dat medeleerlingen hun slechtziende klasgenoot dingen uit handen nemen, die hij zelf kan doen. Voor de leerling is het waardevol, daar waar het kan ook anderen te helpen.
4 Het waarnemen tijdens de lessen
Algemeen
Veel jonge slechtziende kinderen hebben een vluchtig en oppervlakkig kijkgedrag. Een van de oorzaken is dat het verkrijgen van visuele informatie extra inspanning kost. Hoe moeilijker het is om via de ogen informatie te verkrijgen, hoe minder deze leerlingen geneigd zijn er zelf naar te zoeken. Wanneer ze geconfronteerd worden met een visueel probleem, gaan ze gissen, geven eerder foutieve antwoorden en zeggen vaak het eerste wat in hun gedachten opkomt. Het is nodig deze leerlingen te helpen om voorwerpen en afbeeldingen systematisch te bekijken. Visuele training is dan op zijn plaats. Door de visuele training leert de leerling zijn restvisus optimaal gebruiken. Visuele training omvat aspecten als:
-
oog- handcoördinatie;
-
kijkstrategie
-
figuur- achtergrond onderscheiding;
-
oriëntatie in de ruimte;
-
ruimtelijk inzicht.
Gedurende de dagelijkse schoolactiviteiten zijn er momenten in overvloed om ongemerkt extra aandacht aan visuele training te besteden.
Specifieke visuele training kan gegeven worden door de extra formatieleerkracht in overleg met de ambulante onderwijskundige begeleider.
Hulpmiddelen daarbij kunnen zijn:
-
computersoftware, zoals De Kijkdoos;
-
lessen kijktraining van het programma van N. Barraga en E. Morris;
-
onderdelen van het Frostig- programma;
-
puzzels: insteekpuzzels, gelijke vormen of kleuren zoeken, puzzels met grootte-verschillen, een patroon afmaken;
-
mozaïeken;
-
figuro, tangram, loco;
-
het zoeken van verschillen, overeenkomsten, details, grootte- verschillen, ontbrekende delen;
-
spelletjes en liedjes waarbij de ruimtelijke oriëntatie en de lichaams-co√∂rdinatie geoefend worden;
-
handenarbeid, textiele werkvormen en tekenen;
-
audiovisuele activiteiten: video, film, tv.
Op het bord kijken
Wanneer op het bord wordt geschreven is het vaak prettig als de leerkracht hardop zegt wat hij opschrijft. Het is belangrijk dat het bord goed is schoongemaakt. Let vooral op duidelijk schrift. De grootte van het schrift en een goed contrast zijn daarbij belangrijk. Bijv. wit op zwart; of wit of geel op groen. Het dikke zachte bordkrijt van Ulma geeft een goed contrast. De ambulant begeleider zal dit met de leerling uittesten.
Kies bij het gebruik van kleur voor heldere, contrastrijke kleuren.
Audiovisuele hulpmiddelen
Laat bij video en tv kijken, de slechtziende leerling vooraan zitten. Bij het gebruik van de overheadprojector, is het wenselijk dat de leerling een afdruk van de gebruikte sheets krijgt.
Zorg ervoor dat een projectiescherm niet te hoog wordt opgehangen. De kijkafstand is dan vaak voor een slechtziende niet te overbruggen. Een goed contrast is wederom een vereiste.
Boeken, werkbladen en illustraties
In het algemeen maakt de leerling in de onderbouw gebruik van de normale schoolboeken, want de gedrukte tekst is dan nog vrij groot. Het gebruik van vergrotingen kan later wel noodzakelijk zijn. Het lettertype wordt kleiner en de teksten worden langer. Veel hangt af van de kwaliteit van het drukwerk, het contrast, de lettergrootte en het lettertype.
Niet wenselijk is: tekst over een illustratie heen, een gekopieerd krantenartikel, tekst in verschillende kleuren, schuin gedrukte tekst, een onduidelijk stencil.
Vaak heeft een visueel beperkte leerling moeite met het waarnemen van illustraties, omdat het contrast gering is. De leerling mist dan het overzicht of weet eenvoudig niet wat hij geacht wordt te zien. Is de illustratie tekstondersteunend, dan kan de leerkracht vertellen wat er staat afgebeeld.
Het tempo
Meestal heeft een slechtziende leerling meer tijd nodig voor het lezen van een tekst, het bekijken van illustraties en het maken van schriftelijk werk. Daardoor komt het voor dat langere teksten of toetsen niet binnen de vastgestelde tijd af zijn. De ervaring leert dat leerlingen die regelmatig in tijdnood komen, bij voorbaat al nerveus worden. Omdat men meestal toch gebonden is aan een bepaalde tijdsduur, kan het een oplossing zijn om de leerling opdrachten te geven, die qua omvang beperkt zijn. Mogelijkheden daartoe zijn:
-
vermindering van werk door alleen de meest relevante opdrachten te laten uitvoeren;
-
alleen de antwoorden laten noteren, dus geen tijdverlies door het overschrijven van rijtjes en zinnen;
5 Didactische consequenties en oplossingen
Zoals al in het voorgaande vermeld moet de leerling voor het nauwkeurig waarnemen extra inspanning leveren. Dat kan ertoe leiden dat hij sneller vermoeid raakt. Bovendien vraagt nauwkeurig waarnemen meer tijd. Er doen zich praktisch altijd problemen voor ten aanzien van het tempo.
In het reguliere onderwijs wordt veel gebruikgemaakt van methodes die door hun gevarieerdheid, grote informatiedichtheid, kleine druk of gebruik van kleuren met gering contrast minder geschikt zijn voor slechtziende leerlingen. Aanpassingen zijn dan veelal noodzakelijk, zoals vergrotingen en speciale topografiekaarten met beperkte informatie.
Tevens kunnen (optische) hulpmiddelen noodzakelijk zijn, die de beperkingen van de oogafwijkingen zoveel mogelijk compenseren.
Groep 1 en 2
Voor de leerkracht van groep 1 is het vaak een bijzondere ervaring een slechtziende kleuter te ontmoeten.
Ook hier geldt: laat de slechtziende kleuter zo gewoon mogelijk meedoen met alle
activiteiten in de klas. Extra aandacht en zorg daarbij moeten uiteraard besteed worden aan zaken als:
-
het visueel functioneren. Hoe is het daarmee gesteld? Is extra visuele training noodzakelijk en op welke manier is die in het lesprogramma in te passen?;
-
de keuze van geschikt materiaal;
-
de ruimtelijke oriëntatie in klas, speellokaal en op het schoolplein;
-
het spelen met andere kinderen;
-
de (fijn)motorische ontwikkeling.
Gezien de visuele beperking zijn creatieve aanpassingen op deze gebieden soms noodzakelijk. In goed overleg met de ambulant onderwijskundig begeleider zijn diverse mogelijkheden te vinden om de slechtziende kleuter optimaal te begeleiden.
In groep 2 komt een duidelijk accent te liggen op de leervoorwaarden die van belang zijn voor het leerproces in groep 3. Een verdere visuele training is dan vaak op zijn plaats.
6 De hulpmiddelen
Inleiding
Enkele aspecten die van belang zijn bij de vraag welk hulpmiddel voor een slechtziende leerling geschikt is, zijn de volgende:
-
de aard van de visuele beperking;
-
de individuele manier waarop elk kind met zijn visuele beperking omgaat;
-
de mogelijke negatieve beïnvloeding van het gezichtsvermogen door geringe motivatie en vermoeidheid;
-
het mogelijk afnemen van het gezichtsvermogen door onvoldoende licht, verkeerd invallend licht of een gering contrast;
-
de bruikbaarheid van het hulpmiddel in de situatie waarvoor het is geadviseerd;
-
het sociaal-emotionele aspect: durft de slechtziende leerling het hulpmiddel te gebruiken; voelt hij zich te veel bekeken; heeft het voldoende nuttig effect?
Een hulpmiddel biedt nooit een volledige oplossing voor de visusproblemen. Hieronder staan een aantal hulpmiddelen genoemd, waarbij per categorie een korte motivatie is opgenomen.
Hulpmiddelen voor de observatie van de visuele waarneming
Om een juist beeld te krijgen van de visuele waarneming van een leerling kan men gebruik maken van:
-
het programma van N. Barraga en E. Morris. Het programma is vrij uitgebreid en omvat een bronnenboek, een observatielijst, een test en een behandelingsplan. Barraga gaat uit van de normale visuele ontwikkeling van de leerling. Zij doet dit stapsgewijs in 8 fasen. De observatielijst noemt een aantal punten die geobserveerd kunnen worden en die samengevoegd een goed beeld geven van hoe de leerling visueel functioneert. De test, het onderzoeksinstrument, bestaat uit 40 items en omvat de hele range van de visuele ontwikkeling. In het behandelingsprogramma wordt oefenstof gegeven voor de onderdelen die niet of gedeeltelijk ontwikkeld zijn;
-
de observatielijst uit het "Look and think"- programma van E. Chapman.
Deze lijst telt 18 onderdelen. Aanvullende observatie in de klas en daar buiten is onmisbaar. Op basis van deze gegevens kunnen onderdelen geoefend
worden. De kijkprestaties kunnen hierdoor verbeteren. Men maakt daarbij gebruik van ontwikkelingsmateriaal dat in de meeste scholen in ruime mate voorhanden is, met name in groep 1 en 2 van de basisschool; -
materiaal voor de ontwikkeling van de visuele waarneming is voorts te vinden in het "Frostig"- programma. Hierbij is door middel van een test de beginsituatie vast te stellen. Voor de groep moeilijk lerende kinderen kan gebruikgemaakt worden van een hiervan afgeleid programma "Goed bekeken".
Hulpmiddelen voor het lezen
Wat kan het lezen vergemakkelijken?
-
een goed contrast en eventueel aangepaste verlichting. Daarbij bieden gekleurde, doorzichtige plastic sheets en een leesliniaal soms extra ondersteuning; voor teksten op het bord is zacht bordkrijt (Ulma) geschikt;
-
een tafel met een verstelbaar bovenblad of een speciale leesstandaard.
-
vergroting van de tekst door middel van een leesloep. Maar men kan de tekst ook vergroten door hem vergroot te laten afdrukken.
Enkele speciale uitgaven, die reeds in vergrote druk verschijnen, zijn: vergrote woordenboeken vreemde talen, een speciaal voor slechtzienden ontworpen atlas en woordenboeken op cd-rom.
Voor het vergroten van studieboeken kan men een beroep doen op de Studie- en Vakbibliotheek in Amsterdam.
Zie voor meer informatie over hulpmiddelen voor het lezen onder "optische hulpmiddelen".
Hulpmiddelen voor het schrijven
Ook hierbij is belangrijk een goed contrast al dan niet met extra verlichting. Tevens kan gebruikgemaakt worden van papier met speciale liniatuur, verkrijgbaar via Sensis Onderwijs..
Controleer of de gebruikte (bal)pen voor de leerling het best leesbare resultaat oplevert. Een zwart schrijvende fine-liner, roller-pen of vulpen is vaak beter dan de normale blauwe balpen.
Heeft de leerling door zijn visusbeperking moeite om een redelijk leesbaar handschrift te ontwikkelen, dan kan men gebruikmaken van de computer. Met behulp van een tekstverwerkingsprogramma en een printer kan een goed leesbare tekst worden geleverd.
Voor verdere informatie omtrent computers en aanpassingen voor slechtzienden verwijzen wij u naar de afdeling Communicatie- en Informatietechnologie (CIT) van de regionale centra.
Hulpmiddelen voor de verlichting
Veel slechtziende leerlingen hebben behoefte aan extra verlichting van de werkplek, ter verhoging van het contrast. Plafondverlichting voldoet vaak niet aan de eisen die gesteld worden aan lichtsterkte, instelbaarheid, bediening en het te verlichten oppervlak. Van belang is namelijk, dat de lamp wel de werkplek verlicht, maar dat het licht niet rechtstreeks in de ogen schijnt. Ook reflectie van het licht op het werkblad kan hinderlijk zijn. Aangepast meubilair met een verstelbaar werkblad is in dit verband aan te bevelen.
Veel gebruikte lampen zijn de koudlichtlampen. Er zijn diverse uitvoeringen met tl- of pl-lampen.
Hulpmiddelen voor het meten en rekenen
Bij meetapparatuur gaat het veelal om voorwerpen die niet echt als speciaal hulpmiddel gezien moeten worden, maar die wel aan bepaalde eisen van duidelijkheid ten aanzien van het aflezen moeten voldoen.
Bij de aanschaf van een rekenmachine is het verstandig te letten op het gebruiksgemak, of toetsen en display duidelijk af te lezen zijn. Is het aflezen niet mogelijk dan kan een sprekende rekenmachine uitkomst bieden.
Hulpmiddelen voor oriëntatie en mobiliteit
Slechtziende leerlingen willen zich graag zelfstandig kunnen verplaatsen van, naar en binnen de school. De meesten lukt dat ook zonder hulpmiddelen te baat te nemen. Maar voor sommige ernstig slechtzienden is het gebruik van een taststok of een herkenningsstok aan te bevelen.
In bepaalde gevallen is het gewenst aanpassingen in het schoolgebouw te regelen. Het betreft dan meestal kleine voorzieningen, zoals extra verlichting en markeringslijnen, vooral bij de trappen.
Als deelnemer aan het verkeer staat de slechtziende voor menig probleem. Samen oplossingen bedenken die de veiligheid van de slechtziende garanderen en zijn zelfvertrouwen vergroten vormt een wezenlijk onderdeel van de begeleiding.
Projectiehulpmiddelen
De situatie waarin de slechtziende leerling klassikaal naar video, film of overheadprojector kijkt, is vaak niet optimaal. Dat kan verschillende oorzaken hebben: de aard van de visuele beperking, fel licht, groot beeld, snelle beeldwisseling, technische kwaliteit van het aangebodene en de afstand tot het scherm. Dat laatste kan verholpen worden door de leerling zelf de afstand tot het scherm te laten kiezen. Meestal zal dat een plaats vooraan zijn.
Bij het gebruik van een overheadprojector zijn goed contrasterende kleuren sterk aan te bevelen. Mocht de slechtziende leerling nog niet in staat zijn het aangeboden materiaal te lezen, geef hem dan een kopie van de sheets.
Hulpmiddelen voor het gebruik van kaarten
Kaarten in atlassen en in diverse methodes vormen voor slechtzienden een groot probleem. Ze staan vaak vol informatie die door het kleine lettertype vrijwel onleesbaar is. Bij een beperkt aantal vormen van slechtziendheid leveren daarnaast ook de gebruikte kleuren en de grootte van de kaart nog extra problemen op. Om de slechtziende leerling in dezen tegemoet te komen is er een aantal mogelijkheden:
-
een speciale atlas ; de Junior Bosatlas is op cd-rom te verkrijgen;
-
de CITO-toets kan in vergrote druk aangevraagd worden;
-
voor leerlingen met een kleurenstoornis kan de speciale atlas in aangepaste vorm door in bruikleen gegeven worden.
Hulpmiddelen voor een juiste houding
Het vergt de nodige aandacht om een slechtziende leerling, die nogal eens de neiging heeft "op het papier te kruipen", een correcte werkhouding aan te leren.
Voor een juiste werkhouding zijn er diverse mogelijkheden:
-
een geschikte werktafel is de "Ergovisie". Dit is een bureau met een in hoogte verstelbaar werkblad;
-
een vereenvoudigde uitgave, de "Ergonaut", is ook nog leverbaar;
-
een draagbare opzettafel voor die leerlingen die vaak van lokaal moeten wisselen;
-
een concepthouder is een veelgebruikt hulpmiddel bij computerwerk. Het brengt het werk binnen de juiste leesafstand, terwijl de handen vrij blijven.
Optische hulpmiddelen
De normale letterdruk van schoolboeken, tijdschriften, kaarten en woordenboeken is
voor een aantal slechtziende leerlingen zonder vergroting niet leesbaar. Soms is de normale druk wel leesbaar, maar kost het ontcijferen van de tekst te veel tijd en inspanning. Voordat men tot de aanschaf van een optisch hulpmiddel overgaat, is het raadzaam een low vision-onderzoek en/of een visueel functie-onderzoek door de oogarts van instelling of door de eigen oogarts te laten verrichten.
Om de gewenste vergroting te realiseren is de tv-leesloep een uitstekend hulpmiddel. Door een aan een monitor gekoppelde camera wordt de tekst in de gewenste vergroting op het beeldscherm geprojecteerd. Ook de computer kan daarop aangesloten worden.
Er zijn diverse types in de handel. Afhankelijk van het advies kan in overleg met de ambulant onderwijskundig begeleider de juiste keuze bepaald worden. Door de combinatie van tv-camera en leesplateau is een tv-loep plaats gebonden. Voor de thuissituatie is vaak een tweede exemplaar noodzakelijk.
Loepen zijn er in veel soorten. Het zijn handzame vergrotingshulpmiddelen, waarbij afhankelijk van de uitvoering, vergrotingen van 1,5 tot 10 maal bereikt worden. Voor veel slechtziende leerlingen die gebaat zijn bij vergrotingen, is een loep goed bruikbaar bij het lezen dichtbij.
De volgende uitvoeringen zijn verkrijgbaar:
-
lichtloep: een combinatie van vergrootglas met ingebouwde verlichting;
-
inslagloep: kleine handloep, die in een beschermd houdertje gedraaid of geschoven wordt;
-
visoletloep: minder handzaam dan de inslagloep, maar de vergroting beslaat een groter oppervlak;
-
hoge additiebril of hyperoculair: een variant op de visoletloep;
-
handloep: deze loep dient door de gebruiker steeds op de juiste afstand van het papier gehouden te worden om de gewenste vergroting te krijgen;
-
leesliniaal: de liniaal ligt op het papier en bedekt een volledige tekstregel. De vergroting is 1,5 maal. De liniaal vergroot de tekst wel in de hoogte, maar niet in de breedte;
-
handkijkertje: afhankelijk van het lenzenstelsel bruikbaar voor het lezen dichtbij en op afstand. Het wordt in de klas meestal gebruikt voor het lezen van tekst op het bord. Doordat het als een soort telelensje werkt, heeft het een zeer kleine kijkhoek. Het gevolg is dat de oriëntatie op het bord moeilijk is. Naast het gebruik in de klas bewijst het kijkertje zijn diensten bij het lezen van dienstregelingen van de NS, straatnamen, huisnummers, busnummers, prijzen in etalages.
7 De slechtziende leerling in de speciale school voor basisonderwijs
Ook in de speciale school voor basisonderwijs volgen slechtziende leerlingen het onderwijsleerproces. Deze leerlingen hebben naast hun visuele beperking nog andere leerproblemen of problemen op verstandelijk, motorisch, psychisch of sociaal-emotioneel terrein. De mogelijkheid om de visuele beperking in een bepaalde mate te compenseren ontbreekt vaak bij deze kinderen.
In principe geldt ook voor deze leerlingen hetgeen in dit katern is vermeld. Alleen de mate waarin is vaak anders dan bij het normaal lerende slechtziende basisschoolkind, omdat rekening gehouden moet worden met andere beperkingen.
Vaak zal deze leerling extra individuele begeleiding nodig hebben. Hierbij is van nog meer belang dan bij de normaal lerende basisschoolleerling, dat er een gestructureerd en gedetailleerd handelingsplan wordt opgesteld.
8 Practische wenken
Bij fel zonlicht is het in de meeste gevallen noodzakelijk zonwering te gebruiken; dit geldt speciaal voor lichtschuwe kinderen.
Bied niet teveel materiaal tegelijk aan.
Dit geldt zowel voor het bekijken van een voorwerp / plaatje als bij het binnenkomen in een (nieuwe) ruimte.
Het ‘even samen doen’ kan verhelderend werken.
NB Opdrachten als ‘pak jij dat even’ komen lang niet altijd op de bedoelde wijze over.
NB Op de vraag ‘kun je het goed zien’ wordt in de regel een bevestigend antwoord gegeven. Bedenk daarbij dat de kwaliteit van het zien van een slechtziende anders is dan van een goedziende.
Oefen daarom het leren herkennen van voorwerpen, zowel twee- als driedimensionaal.
Om te schrijven een duidelijke pen, fineliner of stift gebruiken.
Bij detailwaarneming kan de afstand wel verkleind worden tot wel 5 cm. Ook bij het kijken naar de televisie wil de slechtziende leerling vlak voor het scherm zitten. Dit komt ook voor bij het werken met de computer.
NB Een zeer kleine kijkafstand heeft geen nadelige gevolgen voor de ogen.
Plak bijvoorbeeld een nieuw aangeleerde letter of woordje op de werktafel.



