Zoeken
Werkwijze begeleiding voortgezet onderwijs braille leerlingen
|
Snelmenu |
|---|
1. Frequentie
De frequentie van de begeleidingsbezoeken is afhankelijk van schoolsoort, de problematiek van de brailleleerling en de werkdruk van betrokkenen.
De praktijk wijst uit dat, afhankelijk van de problematiek van de brailleleerling, het aantal bezoeken per cursusjaar uitkomt op gemiddeld zeven bezoeken per jaar.
Het vervolgtraject wordt na ieder bezoek in overleg met de leerling en de mentor/klassenleerkracht vastgesteld.
2. Evaluatie- en voortgangsbesprekingen
De AOB in het voortgezet onderwijs staat een werkwijze voor, waarbij een aantal keren per jaar in aanwezigheid van de leerling, de mentor en eventueel andere teamleden de onderwijsleersituatie, gerelateerd aan de visuele handicap, wordt geëvalueerd.
Om de kans op een uitzonderingspositie voor de leerling te verkleinen is ervoor gekozen, de afspraken te laten plaatsvinden tijdens tussenuren of na schooltijd.
Voor een optimale betrokkenheid van het team bij de begeleiding, strekt het tot aanbeveling dat de mentor voor ieder gesprek informatie inwint bij de collega’s.
3. Gesprek met de ouders
Naar aanleiding van het schoolbezoek is er meestal nog contact met de ouders/ verzorgers van de leerling. Doel daarvan is, naast het optimaliseren van de vertrouwensband, verslag te doen van de bevindingen op school, waarbij de consequenties van de visuele handicap voor onderwijs en opvoeding centraal staan. Daarnaast inventariseert de AOB’er de behoefte aan en/of de noodzaak van het inschakelen van andere takken van de hulpverlening. Tevens worden ouders van minderjarige en meerderjarige leerlingen geadviseerd en ondersteund bij het aanvragen van hulpmiddelen.
Het bespreken van b.v. schoolvorderingen en eventuele gedragsproblematiek, voor zover deze niet direct te relateren zijn aan de visuele handicap, behoort echter tot de taak van de school.
Indien de leerling niet-thuiswonend is, maar wel minderjarig, wordt in principe na ieder bezoek van de AOB’er aan de school, telefonisch contact opgenomen met de ouders/verzorgers van de betreffende leerling.
4. Leerlingbespreking
Tenminste éénmaal per jaar worden de leerlingen op de onderwijsinstellingen besproken aan de hand van een door de AOB’er geschreven rapportage. Deelnemers aan deze besprekingen kunnen zijn:
-
de schoolpedagoog;
-
de technisch oogheelkundig assistent (TOA);
-
de locatieleider;
-
de AOB’er.
De ontwikkeling en de voortgang van het onderwijsleerproces van de leerling wordt gevolgd. De deelnemers brengen begeleidingsadviezen in. Tevens wordt jaarlijks vastgesteld of verdere begeleiding nog gewenst is.
5. Cursussen
Jaarlijks wordt een aantal cursussen georganiseerd voor leraren die een braille leerling lesgeven. Ook worden er cursussen gegeven aan begeleide leerlingen en hun ouders. Aan het begin van ieder schooljaar wordt aan de betreffende scholen en ouders een cursusoverzicht toegezonden waarin het cursusaanbod wordt omschreven.
Tevens wordt geparticipeerd in op landelijk niveau georganiseerde speciale vakgerichte cursussen.
Indien gewenst kan de AOB’er ook tijdens een personeelsvergadering, voorlichting geven over de visuele handicap en de gevolgen daarvan in de schoolsituatie en het dagelijks leven. Collega’s kunnen o.a. ervaren wat een visuele beperking betekent voor de leerling waarmee zij te maken krijgen of hebben.



