Contact
Marian Amerongen-van VoornveldMarian Amerongen-van Voornveld
Gepubliceerd op

De slechtziende fietser

 

Zo maar gaan, gaat niet zomaar

In het drukke verkeer van een stad is het voor iedereen uitkijken geblazen. Maar ook in dorpen zijn er vaak moeilijke kruispunten, drukke provinciale wegen of gevaarlijke situaties. Voor ziende mensen is er van alles – verkeersborden, verkeerslichten – geregeld om samen aan het verkeer deel te kunnen nemen. Maar hoe is dat voor iemand met een visuele beperking die in het verkeer minder op hun gezichtsvermogen kunnen varen? De nog steeds toenemende verkeers-complexiteit doet een maximaal appel op hun vaardigheden, kennis en inzicht.

Veel kinderen met een visuele beperking vragen of zij mogen leren fietsen. En net als voor het lopen is daar officieel geen officiële toestemming of opleiding voor nodig. Toch is een goede fietsopleiding juist voor visueel beperkte kinderen zeer noodzakelijk. Vooral door de toenemende drukte op de wegen. Een fietser hoort de verkeersregels en verkeersborden te kennen die op hem van toepassing zijn. Daarnaast moet hij al fietsend verkeersborden en verkeerstekens kunnen lezen (zien). Ook interpreteren en toepassen, het overige verkeer in de gaten houden of bij oversteekplaatsen alert zijn op mensen op de stoep, zijn essentiële vaardigheden die een fietser moet beheersen. Daarbij gaat alles veel sneller dan lopend en is een fietser ook afhankelijk van het gedrag van de overige weggebruikers. Dat is niet makkelijk. Vooral niet als je een visuele beperking hebt.

Een kind met een visuele beperking dat gaat fietsen zal sneller moeten inspelen en reageren op andere weggebruikers dan wanneer hij voetganger is. Zijn visuele beperking kan hem daarin soms belemmeren. Maar net als bij het lopen en oversteken op straat valt ook dit te leren en draait alles om ervaring. Een kind dat de kans krijgt om veel ervaringen op de fiets op te doen zal zich sneller in bekende en onbekende situaties vertrouwd voelen. Leren fietsen geeft hem de kans zijn horizon te vergroten.

Goed beschouwd is het verkeer een goed geregeld systeem met verkeersregels, borden, rijbanen, rijstroken, verkeersheuvels en verkeerslichten. Ongelooflijk veel is geregeld voor al die ziende mensen om samen aan het verkeer deel te nemen. Veilige verplaatsing in al deze situaties doet ongemerkt een groot beroep op gezichtvermogen en gehoor en vraagt bovendien nogal wat verkeerskennis en verkeersinzicht. De basis hiervoor wordt in de opvoeding terloops gelegd. Een kind leer wat het rode en groene poppetje betekenen bij het voetgangerslicht, dat het niet zomaar op straat kan spelen, dat het rechts moet fietsen en in het algemeen dat er gevaren zijn.

Tussen al die weggebruikers bevinden zich ook de jongeren die een visuele beperking hebben. Is er voor hen iets geregeld? Nee, dus is gerichte instructie en veel uitleggen van het grootste belang. Waar de accenten in die instructie komen te liggen is afhankelijk van de jongere, zijn ervaring, verkeersinzicht en verkeerskennis, angst, zelfvertrouwen enz.

Veel praktisch oefenen in allerlei situaties is nodig om er zeker van te kunnen zijn dat de leerling hoorbare, zichtbare en tastbare informatie goed interpreteert en de straat op een veilig moment opstapt. In het begin vertelde ik al dat een doordachte inrichting van wegen van grote invloed is op de verkeersveiligheid, maar evenzeer is het gedrag van de verkeersdeelnemers bepalend. Het gedrag wordt bepaald door opeenvolgende beslissingen die iemand voortdurend neemt, bewust of onbewust. Wel of niet door rood lopen of fietsen, even wat meer gas geven, uitwijken voor een tegenligger, wachten met doorrijden bij een verkeerslicht om ook de laatste voetganger de ruimte te geven. Iedereen moet leren beslissingen te nemen en rekening te houden met voorspelbaar maar zeker ook onvoorspelbaar gedrag van anderen. Dit geldt met name voor de meer kwetsbare verkeersdeelnemer zoals bijv. de slechtziende fietser. Het leren inschatten van verkeerssituaties en het krijgen van een goed beeld van eigen mogelijkheden en beperkingen vormen de hoofdmoot van de instructie.

De slechtziende fietser loopt meer risico’s in het verkeer omdat hij minder snel en accuraat zou kunnen reageren en anticiperen. Dit geldt al voor ‘gewone’ situaties, laat staan voor ‘ongewone’ situaties. Het is juist dit schrikbeeld dat zoveel lading geeft aan het onderwerp. Om deze redenen komen veel slechtzienden niet in aanmerking voor een gedegen fietsopleiding, terwijl hun slechtziendheid dit juist zo noodzakelijk maakt.

Terughoudendheid bij ouders en hulpverleners is hiervan vaak de oorzaak. Deze terughoudendheid lijkt in veel opzichten terecht. Verkeersdeelname is immers een risicovolle onderneming. Echter, het alternatief is zeker niet gelegen in een fietsverbod. De kans immers dat met name het kind zich hieraan onttrekt of later alsnog op de fiets de wereld intrekt is zeker voorstelbaar. Het is dan ook zaak vroegtijdig de fietsmogelijkheden van de slechtziende te onderkennen, zonodig te laten onderzoeken, en vervolgens een gedegen plan van aanpak op te stellen. Voor alle fietsers en dus ook voor slechtziende fietsers is het van belang dat ze de mogelijkheid hebben om veel ervaring op te doen in het verkeer.

Uit onderzoek is gebleken dat ervaring de meest belangrijke factor is in de ontwikkeling van verkeersveilig gedrag. Dat veel slechtzienden deze ervaring niet hebben kunnen opdoen vanwege sterke terughoudendheid (onwetendheid?) bij ouders en begeleiders, is ons duidelijk geworden. Juist voor de slechtziende fietser is het noodzaak om bij het opdoen van fietservaring de juiste begeleiding te krijgen. Een kind dat zijn mogelijkheden en beperkingen in het verkeer heeft leren kennen is op deze zelfstandigheid veel beter voorbereid! Een slechtziende fietser moet zich niet alleen bewust worden van de verantwoordelijkheid ten aanzien van zichzelf, maar ook van zijn verantwoordelijkheid voor de veiligheid van anderen. Een ondoordachte stap in het verkeer kan verstrekkende gevolgen hebben. De basis van veilige verkeersdeelname wordt gevormd door gerichte training, concentratie en mentale discipline.

De slechtziende leerling op de reguliere basisschool krijgt, als alles goed verloopt, verkeersonderwijs aangeboden. Het gaat daarbij om een theoriemethode die tot doel heeft de verkeerskennis en het verkeersinzicht van de leerlingen op een aanvaardbaar niveau te brengen. Praktische training wordt op de basisschool niet verzorgd. Dit wordt overgelaten aan de ouders. Door Veilig Verkeer Nederland (VVN) wordt een praktische methode uitgegeven die ten behoeve van het verkeersonderwijs kan worden gebruikt. Het verkeersonderwijs wordt in leergroep 7 afgesloten met zowel een theorietoets als ook een praktische toets op de fiets. Bij het behalen van beide toetsen ontvangen de leerlingen een verkeersdiploma. Een gebrek aan zowel verkeersonderwijs alsook aan praktische oefening met de ouders vormen een absoluut onvoldoende basis voor een veilige verkeersdeelname. Bovenstaande geldt al voor goedziende leerlingen en geldt dus in versterkte mate voor slechtziende leerlingen.

Aansprakelijkheid

Wanneer de slechtziende fietser er van alles aan heeft gedaan om zijn eigen veiligheid en die van anderen zo goed mogelijk te dienen, zal de rechter de “zwakkere” verkeers-deelnemer zoveel mogelijk beschermen. Met dit alles wordt dan bedoeld: een gedegen fietstraining. Niet alleen bij de verzekering van de ouders maar ook bij een eventuele collectieve schoolverzekering dient dan ook altijd bekend te zijn dat die school een visueel gehandicapte leerling op school heeft.

Criteria

Hoeveel moet de jongere zien, om als fietser aan verkeer te kunnen deelnemen? De verkeerswet biedt weinig houvast. Ervaren fietsbegeleiders weten dat bij fietsen meer komt kijken dan het gezichtsvermogen alleen! Zo zijn factoren als stuurvaardigheid, verkeerskennis en -inzicht, gedrag en vooral verkeerservaring van grote invloed op de fietsprestaties. Toch is er behoefte aan duidelijke uitspraken over visuele functies bij verkeersdeelname. We willen immers uitsluiten dat cliënten ongelukken krijgen – of veroorzaken – als rechtstreeks gevolg van hun visuele beperking.

Dat blinde mensen niet zelfstandig aan fietsverkeer kunnen deelnemen is duidelijk, maar daarna ontstaat al snel een grijs gebied.  Oogarts, low-vision specialisten en instructeurs trachten richtlijnen op te stellen die helpen bij geven van fietsbegeleiding en/of een fietsadvies. Zij komen tot aanwijzingen in de vorm van contra-indicaties: relatieve en absolute. Deze laatste betreffen beperkingen die zelfstandige verkeersdeelname onverantwoord maken. Relatieve contra-indicaties betreffen beperkingen die specifieke aandacht vragen. Onderstaande richtlijnen zijn niet opgesteld om op voorhand cliënten uit te sluiten van fietsbegeleiding. Vaak zal pas ná de instructie blijken of zelfstandig fietsen mogelijk is. Zonodig kunnen O&M-instructeurs inzetten op bepaalde routes, fietsen onder begeleiding, gebruik van een tandem e.d. Zij kunnen pas uitspraken doen, wanneer het hele ‘fietsplaatje’ compleet is en de cliënt actief betrokken is geweest bij onderzoeken van de mogelijkheden. Aanwijzingen die voortkomen uit een gericht Visueel Functie Onderzoek zijn daarbij noodzakelijk. Ook de aard van de oogaandoening speelt een rol: is deze aangeboren of verworven, is de oogaandoening stabiel of progressief enz.?

Richtlijnen

  • Visusgetallen tussen 0.10 en 0.15 duiden op relatieve contra-indicaties (voorzichtigheidshalve: monoculus < 0.20). Verkeersdeelname is denkbaar, maar wisselende licht- en weersomstandigheden hebben een negatieve invloed. Daarbij is het van belang na te gaan hoe de visus tot stand komt: moeizaam, voorkeursstand van het hoofd, invloed van verlichting. Is de visus minder dan 0.10, dan is sprake van een absolute contra-indicatie. Zelfstandig fietsen wordt dermate afhankelijk van omstandigheden en andere verkeersdeelnemers dat geen sprake meer kan zijn van verantwoorde verkeersdeelname. Fietsen op beschermde terreinen of zeer veilige fietspaden is dan het maximaal haalbare.
  • Gezichtsveld: oogarts en Low-visionspecialisten beschouwen halfzijdige gezichtsveldbeperkingen links/rechts (hemianopsieën) en een koker gezichtsveld van minder dan 80 graden diameter (2 ogen) al snel als absolute contra-indicatie voor zelfstandig fietsen. Ringscotomen en andere perifere gezichtsvelddefecten zien zij als relatieve contra-indicatie, waarbij rekening wordt gehouden met de grootte en diepte van het scotoom. Instructeurs daarentegen zien al deze defecten als relatieve contra-indicaties en alleen een koker gezichtsveld van minder dan 40 graden diameter als absolute contra-indicatie. Bij een centrale uitval zal de visus veelal lager zijn dan 0.15 en gelden de aanwijzingen onder visus. Duidelijk is dat alle gezichtsveldbeperkingen bijzondere aandacht behoeven.
  • Nachtblindheid: Een absolute contra-indicatie voor fietsen in het donker.• Verlaagde contrastwaarneming: Een relatieve contra-indicatie, met name voor fietsen in de schemer.
  • Verblindingsgevoeligheid: Geldt als relatieve contra-indicatie. Denk aan gebruiken van filterglazen.
  • Kleurenstoornissen: Geen contra-indicatie.

Op de fiets naar het voortgezet onderwijs

Na de vakantie ga je naar een school voor voortgezet onderwijs in een andere plaats. Je bent van plan om er op de fiets naar toe te gaan. Welke vragen kun je jezelf stellen?

De route:

  • Hoe ziet de route er uit?
  • Rijd je over een fietspad? Heb je daar tegemoetkomend verkeer? Is er een duidelijke middenstreep?
  • Waar moet je linksaf slaan? Kan je dat fietsend doen of stap je af?
  • Welke kruisingen zijn er? Van welke kanten komt welk ander verkeer? Wie heeft voorrang? Heb je daar voldoende overzicht? Kan je daar fietsend overheen of ga je daar voor de veiligheid afstappen en lopen?
  • Zijn er stoplichten op je route? Kan je die vanaf de gebruikelijke plaats voldoende zien?
  • De route terug ziet er soms heel anders uit. Is de route bij jou moeilijker of juist gemakkelijker?
  • Soms is de kortste route niet de gemakkelijkste. Je kunt dan beter een stukje omrijden via een gemakkelijkere weg. Hoe is dat bij jouw route?
  • Hoe staat de zon op jouw route? Zijn er stukken waar de zon recht in je gezicht schijnt? Heb je last van het licht? Zo ja, heb je dan altijd je zonnebril of zonneklep bij je? Ook in de winter, als de laagstaande zon je veel last kan geven? Vertel je aan anderen waarom je misschien vaker een zonnebril draagt dan gebruikelijk is?Komt de zon vanaf de zijkant? Zijn er langs de route boompartijen die dan hinderlijke schaduwpartijen geven? Let bij die overgangen van licht en donker extra op mogelijke obstakels op het wegdek, op paaltjes enz. en op tegemoetkomend verkeer.
  • Hoe ziet de berm er uit? Is er een duidelijke scheiding  tussen weg en berm? Of is het verschil tussen een afgebrokkelde asfaltrand en de berm nauwelijks zichtbaar? In dat geval is het goedbedoelde advies “heel goed aan de kant rijden” juist gevaarlijk.
  • Staan er langs het fietspad of langs de weg kleine paaltjes? Zijn ze goed zichtbaar voor je? Op je vaste route kun je onthouden waar ze staan.
  • Wat zie jij in het donker? Is het verantwoord om in de winter als het donker of schemerig is, naar school/huis te fietsen?
  • En bij regen? Een natte bril maakt dat je nog moeilijker kan zien.
  • En bij sneeuw en zon? Misschien heb je dan juist extra last van het felle licht?
  • Misschien overbodig… Ken je de belangrijkste verkeersregels?
  • Fiets je alleen of in een groep naar de nieuwe school? Denk eens goed na waar jij wilt fietsen, wat het veiligst voor je is. Vooraan, in de groep, naast een vast iemand of achteraan?

Pech, bellen, bagage en verlichting:

  • Wat ga je doen als je pech hebt met je fiets? Welke afspraak heb je hierover met je ouders?
  • Kun je zelf je band oppompen? Weet je waar het ventiel zit? Heb je een fietspomp bij je?
  • Kun je je fiets terugvinden in de stalling?
  • Heb je goede verlichting op je fiets? Permanente verlichting is het veiligst. Je bent goed zichtbaar met een felgekleurde jas en eventueel reflecterend tape daarop.
  • Hoe ga je je spullen vervoeren? Gebruik je fietstassen, snelbinders of een rugzak?
Deel dit artikel