Contact
Marian Amerongen-van VoornveldMarian Amerongen-van Voornveld
Gepubliceerd op

De visueel beperkte leerling als voetganger in het verkeer

 

Zo maar gaan, gaat niet zo maar

Oriëntatie & Mobiliteit

Oriëntatie is de vaardigheid van een kind om zijn positie te bepalen in de hem omringende omgeving. De kern ligt in het ruimtelijke verband tussen het kind en de omgeving. Is de uitgang links of rechts, op welke afstand zit de leraar, hoever is het naar de overkant van de straat en wat is de kortste (fiets)route naar zijn vriend. Dit zijn allemaal vragen die van doen hebben met de plaatsbepaling in de ruimte. Dit ruimtelijke verband wijzigt zich telkens door wisselingen in de omgeving en verplaatsing van het kind zelf. Pas als het kind weet waar het is (A) en waar het heen wilt (B) kan hij bepalen hoe hij daar komt, langs welke route en met welk (vervoer) middel.

Waar lopen de kinderen tegen aan:

Er bestaan grote verschillen tussen kinderen in de mate waarin ze vaardigheden beheersen. Zowel oriëntatie als mobiliteit worden opgevat als individuele vaardigheden, die binnen grenzen haalbaar en zo nodig oefenbaar zijn. Die grenzen worden bepaald door een groot aantal factoren waarbij de persoonlijkheid van het kind en zijn omgeving een grote rol spelen.

Visuele stoornis

Voor mobiliteit is het belangrijk om precies de oogheelkundige diagnose en visuele functies te kennen. Deze geven inzicht in de oriëntatie en mobiliteitsmogelijkheden, zoals de mate van overzicht en het kunnen signaleren van verkeer. Misschien is er sprake van van gezichtsuitval waardoor niet alles tijdig gesignaleerd kan worden of is oriëntatie in het donker bij nachtblinden bemoeilijkt. Door de vele vormen van slechtziendheid kan elk kind specifieke mobiliteitsproblemen ondervinden. Daarnaast is de prognose belangrijk, omdat er veranderingen kunnen optreden in iemands visuele mogelijkheden.

Begripsvermogen

Het leren van vaardigheden, onthouden van bepaalde kennis en het oplossen van een probleem hangt mede af van de verstandelijke vermogens van het kind. Wanneer vaardigheden beheerst worden, is het belangrijk dat een kind die ook in vergelijkbare situaties kan toepassen. Maar ook het vermogen om in  onverwachte situaties te handelen, een alternatief te bedenken en initiatieven te nemen zijn hiervan afhankelijk.

Motivatie

Ontwikkeling van het kind op het gebied van mobiliteit blijft uit wanneer de motivatie om er op uit te gaan onvoldoende aanwezig is. De reden voor gebrek aan motivatie kunnen verschillend zijn. Het kind kan het bijv. moeilijk vinden om met een stok te gaan lopen en zo aan de buitenwereld te laten zien dat hij visueel gehandicapt is. De sociaal emotionele ontwikkeling speelt een grote rol in de omgang met en acceptatie van de handicap. Het zelfvertrouwen en zelfbeeld beïnvloeden het eigen gedrag en handelen van het kind. Een groeiend zelfvertrouwen in eigen mogelijkheden komt vooral tot stand door succeservaringen in telkens moeilijker, alledaagse en oefenomstandigheden. Een andere reden kan zijn dat het kind niet geprikkeld wordt. De innerlijke motivatie wordt gevoed en in stand gehouden door het aanbieden en kiezen van stimulerende en haalbare doelen die passen in de leef en denkwereld van het kind. In het donker de weg naar de bibliotheek oefenen, is zinloos als het kind niet van lezen houdt en de bibliotheek alleen overdag open is. Boodschappen gaan doen met je kind heeft alleen nut als je er de tijd voor hebt en niet als je ze moet doen.

 

Omgevingsfactoren

Materiële omgeving

Te denken valt hierbij aan weersomstandigheden, verkeers- drukte, lichtval, obstakels en beschikbare visuele informatie. Weersomstandigheden kunnen de oriëntatie belemmeren. Met harde wind hoor je minder, sneeuw bedekt orientatie-punten en verandert de akoestiek, bij tegenlicht vallen contrasten weg, gladheid maakt het oversteken gevaarlijker en bij mist zie je minder maar wordt je ook minder gezien. Meer dan normale verkeersdrukte vergroot de afhankelijkheid doordat het te onveilig wordt om zelf over te steken. Drukte met veel mensen op een plein, markt of bij een manifestatie kan het overzicht belemmeren, het gehoor verstoren en zo de bewegingsvrijheid doen afnemen. Licht kan hinderlijk zijn, zoals fel zonlicht verblinding kan veroorzaken. Soms is de verandering van lichtomstandigheden bij de overgang van buiten naar binnen of andersom zo groot dat de waarneming tijdelijk ernstig wordt belemmerd. Obstakels in winkelstraten (reclameborden, fietsen en dergelijke), wegwerk- zaamheden kunnen het kind voor onaangename verrassingen plaatsen. Maar dat geldt uiteraard ook voor in het klaslokaal. Wanneer daar niet alles altijd op dezelfde plek staat ontstaan dezelfde problemen. Aanwezige visuele informatie zoals bij bushaltes en op stations, bewegwijzering en straatnamen zijn vaak niet of moeilijk te lezen. In warenhuizen en winkels hangen informatieborden vaak hoog, zijn de prijskaartjes klein en producten vaak op afstand uitgestald. De samenleving is nu eenmaal gebaseerd op visuele informatieoverdracht en onze kinderen worden hier telkens mee geconfronteerd. Aanpassingen zoals een prismakijker, contrastrijke en rubbertegels en rateltikkers blijken vaak een effectief hulpmiddel.

Sociale omgeving

Dit zijn de personen uit de omgeving van het kind, die het gedrag beïnvloeden. De relatie met ouders, leerkrachten en begeleiders biedt goede mogelijkheden tot stimulans mits door het voldoende rekening wordt gehouden met de ambities, wensen, mogelijkheden, persoonlijkheid en motieven van het kind. Elk kind komt in onaangename situaties terecht, zoals opdringerig gedrag van omstanders, pesterijen door leeftijdsgenootjes, opzichtig gedrag voor de stok en het ervaren van onbegrip. Dergelijke situaties vragen om een tactvolle en steunende omgang met tegelijk oog voor het aandeel van het kind zelf in die omstandigheden.

Mobiliteit

Mobiliteit is de vaardigheid zich effectief en doelgericht in zijn omgeving te verplaatsen. De verplaatsing brengt het verband tussen plaats A en B feitelijk tot stand. Bovendien wordt duidelijk dat wanneer het kind ergens heen gaat, het kind daar ook iets te zoeken heeft. Mobiliteit gaat niet alleen over reizen, stoklopen, de weg weten maar ook over bewegingsgedrag op kleinere schaal, bv. op school, het speelplein, de supermarkt of de bibliotheek. Niet alle visueel gehandicapte kinderen komen in aanmerking voor O&M instructie. Het merendeel van de kinderen redt zich uitstekend zonder specifieke oriëntatie en mobiliteitstraining. Bij slechtziendheid en de gevolgen daarvan voor de mobiliteit gaat het vooral om het zien en de problemen die ontstaan bij het niet voldoende zien. Dit lijkt logisch maar is totaal anders dan het niet kunnen zien.  Bij het voldoende zien zullen verkeersvaardig-heden (kennis, inzicht, ervaring) en oriëntatievaardigheden een grote rol spelen. Bij het niet zien komt daar nog eens het gebruik van andere zintuigen bij, in combinatie met de genoemde verkeers- en oriëntatievaardigheden bij. Bij het onvoldoende zien is het belangrijkste probleem, onder welke omstandigheden ziet het kind wel voldoende en wanneer onvoldoende of zelfs helemaal niet.

Screenen geeft daarover uitsluitsel. Hierbij is het belangrijk dat het kind verbale en non-verbale aanwijzingen begrijpt en dat hij zelfstandig kan lopen. Screenen geeft inzicht in hoe het kind zich beweegt in bekende en onbekende situaties (weifelend, aarzelend of juist niet omdat hij de consequenties van zijn visuele handicap nog niet kent).

  • Heeft hij last van het licht en/of de zon?
  • Struikelt hij over stoepranden of kijkt hij steeds naar beneden?
  • Loopt het kind door plassen en ziet (voelt) het verschillende ondergronden?
  • Kan het kind zich tegelijk oriënteren op de omgeving en tevens obstakels vermijden?
  • Hoe steekt het kind over?
  • Kan het kind inschatten wanneer er niet meer kan worden overgestoken?
  • Kan het kind inschatten wanneer er nog overgestoken kan worden?

Voorbeeld: Een kind dat aan de stoeprand staat en een auto op grote afstand ziet aankomen lijkt voldoende te zien. Toch moeten we ons ook het volgende afvragen:

  • Ziet hij naast die auto ook de fietsen op het fietspad.
  • Is de kleur van de auto en de achtergrond van invloed?
  • Is het weer van invloed op zijn waarneming?
  • Kan het kind dezelfde prestatie leveren als hij moe is?
  • En als het regent, sneeuw, schemert of donker is?

Dezelfde vragen doen zich voor in drukkere en complexe situaties en bij snelle lichtovergangen. Kan het kind dezelfde visuele prestaties leveren als in de rustige situatie? Naast het zien speelt uiteraard ook het taxeren een belangrijke rol. Als de auto wordt gezien kan dan ook de snelheid worden getaxeerd? Ook verschillende snelheden?

Het niet scherp zien op zich hoeft voor de mobiliteit geen problemen op te leveren. Problemen doen zich vooral voor ten gevolge van een verlaagde contrastgevoeligheid en aangedane lichtgevoeligheid (zonlicht, donkeradaptatie, overgangen). Hulpmiddelen hiervoor zijn dan ook contrastverbeterend (spectraalfilters) of lichtwerend (zonnebril, zonneklep). Om problemen met detailwaarneming (straatnamen, busborden, prijskaartjes, stoplichten op afstand) te verhelpen kunnen prismakijkers wellicht dienst doen.

Bij gezichtsveldproblemen geldt dat het oog niet het gehele blikveld overziet en dus letterlijk zaken ‘over het hoofd’ ziet. Het gaat erom hoeveel er niet wordt waargenomen, waar is de uitval gelokaliseerd Is de uitval centraal of perifeer of is er sprake van scotomen?

Is het gezichtsveld dat wel intact is helder of is daar sprake van verlies van gezichts-scherpte? Zaken die doorgaans via het oogheelkundig onderzoek wel zijn op te sporen, met toelichting van de deskundige. Als er gezichtsveldproblemen zijn uiten die zich mogelijk als volgt. Het lopen krijgt iets aarzelends, zeker in nieuwe situaties. De arm wordt gebruikt om obstakels die buiten het veld liggen op te merken. Er bestaat de neiging om steeds naar beneden te kijken om kleine obstakels op te merken. Het hoofd is steeds in beweging (scannen) of wordt scheef gehouden om het beeld duidelijk te krijgen. Van belang is na te gaan welke consequenties de uitval heeft in de dagelijkse praktijk. Wat wordt wel waargenomen en wat niet of pas na kijkinspanningen?

  • Worden grote en kleine stilstaande objecten waargenomen en geldt dat ook voor bewegende?
  • Kan de slechtziende zijn gezichtsvermogen zo benutten, b.v. door het draaien van het hoofd dat de ontbrekende delen uit de omgeving alsnog zichtbaar worden?
  • Wordt er voldoende waargenomen in het schemer/donker/regen/mist en hoe is het gezichtsvermogen na een lange dag.
  • Is er sprake van een progressief ziektebeeld?
  • Heeft het kind een normaal looptempo?
  • Wil het wel een stok gebruiken?

De belangrijkste aanwijzingen voor de instructie is het leren omgaan met de beperking van het gezichtsveld. Tijd is hierbij van belang. Er moet ‘gepuzzeld’ worden om het totale beeld te krijgen. Daarna kan het oog zich richten op de belangrijke informatie als bewegende en kruisende personen en verkeer. Je kunt immers niet naar alles kijken. Is het gezichtsvermogen ontoereikend om zich veilig te verplaatsen, of kost het kijken teveel energie, dan zal een herkenningsstok een aanvulling kunnen zijn. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid om de aandacht te richten op de omgeving en de oriëntatie omdat de stok mede zorg draagt voor de veiligheid en herkenning. Dit zal tot gevolg hebben dat het looptempo omhoog zal gaan.

 

Deel dit artikel