Contact
Marten van DoornMarten van Doorn
Gepubliceerd op

Kennis van het verkeer

 

Inleiding

Deelnemen in het verkeer is geen eenvoudige zaak. Er is kennis voor nodig. Van de regels waaraan we ons moeten houden bijvoorbeeld. Of van de vele verkeersborden. Ook moeten we rekening houden met verkeersheuvels, stoplichten en rotondes en punaises (platte rotondes). Bepaald niet gemakkelijk voor iemand die door een visuele beperking kwetsbaarder is. Meer dan een ziende verkeersdeelnemer moet hij alert zijn op allerlei gevaren en al zijn beschikbare zintuigen inzetten om ongelukken te kunnen voorkomen. Daarbij maakt het niet uit of iemand nu op het platteland woont met alleen B-wegen of in de grote stad waar vaak moeilijkere verkeerssituaties zijn. Verkeerskennis en inzicht in verkeerssituaties zijn dan ook van groot belang om veilig in het verkeer te leren deelnemen.

Verkeersrotonde

 

1. Verkeersopvoeding

De meeste kinderen leren al heel vroeg van hun ouders hoe zij zich in het verkeer moeten gedragen. Dat je niet op straat maar op de stoep speelt. Of bij een voetgangerslicht alleen mag oversteken als het licht op groen staat. Een kind dat al van jongs af met dergelijke regels wordt opgevoed en ziet hoe zijn ouders zich in het verkeer gedragen, krijgt inzicht in allerlei verkeerssituaties. Maar ook op school is aandacht voor verkeer. Naast gewone vakken hebben kinderen verkeersles waarin zij verkeersregels en verkeersborden goed leren kennen en toepassen.

2. Deelname in het verkeer

Al vanaf jonge leeftijd met het verkeer opgroeien is voor kinderen met een visuele beperking minder vanzelfsprekend. Door hun beperking worden zij vaak langer beschermd begeleid in het verkeer dan hun ziende leeftijdgenoten. Vaak brengen en halen hun ouders hen met de fiets, tandem of per auto. Zo krijgen zij geen kans zelf ervaringen in het verkeer op te doen. Dat maakt het voor hen extra moeilijk om goed in te spelen op wisselende verkeerssituaties en veranderende weersomstandigheden. Omdat het kind doorgaans zo weinig ervaring heeft, zal hij ook veel vragen. Neem voor dergelijke gerichte instructie dan ook ruim de tijd.

Tip:

Begin met kleine stapjes, dat geeft makkelijker resultaat. Bovendien geeft u het kind meer zelfvertrouwen als u hem aanmoedigt dan wanneer u steeds zegt dat hij moet oppassen of beter uitkijken.

3.  Opmerkzaam maken van het kind op gevaar

Een klein kind weet niet altijd waar gevaar vandaan komt. Hierdoor zal hij of extra voorzichtig of juist te nonchalant deelnemen aan het verkeer. Benoem daarom de verschillende verkeerssituaties. Daardoor kan het kind zich beter instellen op wat hij in een bepaalde situatie kan verwachten. Dit is vooral belangrijk bij heel jonge kinderen. Zo kan een kleuter nog maar moeilijk begrijpen dat er vanachter een geparkeerde auto plotseling een andere auto kan komen. Laat staan dat hij de afstand en de snelheid van een naderende auto of fiets kan inschatten. Daarom is het van het grootste belang hem ook op dergelijke situaties voor te bereiden door samen te gaan oefenen en inzicht te verwerven.

4. Inzicht verwerven

Het kind kent zijn directe omgeving meestal wel redelijk goed. Maar wat zich buiten de eigen straat bevindt, is ver weg. Daarom is het belangrijk dat het kind verschillende verkeerssituaties kent om zich ook in onbekende situaties veilig te leren verplaatsen. Naarmate het kind ouder wordt en voortgezet onderwijs gaat volgen, zal het belang van dergelijke kennis alleen maar toenemen.

De eerste fase van de instructie begint met een gewenningsperiode. Eerst loopt u alleen op bekend terrein in de eigen buurt of straat. Daarna wordt de cirkel groter. U gaat ook naar het stadscentrum en staat stil bij nieuwe verkeerselementen. Zoals brede straten, parkachtige middenbermen, gescheiden rijbanen, verkeersstromen, wachtende voetgangers, auto’s die staan te wachten bij een stopstreep, de grote hoeveelheid verkeerslichten en de drukte van de winkelende mensen in een voetgangersgebied. Vervolgens gaat het kind zelf ontdekken welke bruikbare informatie hij kan verzamelen die nodig is om in bepaalde verkeerssituaties verantwoorde beslissingen te kunnen nemen. Dergelijke vaardigheden kunt u het kind leren aan de hand van het stappenplan om over te steken.

5. Begeleiding op maat

Afhankelijk van de verkeerssituatie en de afstand tot de school gaan ziende kinderen vanaf ongeveer zes jaar alleen of samen met vriendjes naar school. Kinderen met een visuele beperking gaan over het algemeen pas later zelfstandig naar school. Het hangt van veel dingen af zoals de mate van de visuele beperking en de route naar school. In die gevallen is een begeleiding op maat aan te bevelen.  Als begeleider kijk je naar het kind en de route. Wat beheerst het kind al en waar heeft hij nog moeilijkheden mee? Is het nodig om het kind tot aan het hek of tot in de klas te brengen? Of kunt u volstaan om het kind alleen die drukke straat te helpen oversteken, zodat hij de rest van de route samen met medeleerlingen kan afleggen?

6. Oversteken

Er zijn vele oversteeksituaties, maar voor elk oversteekpunt gelden een aantal vaste kenmerken. Zo is het van belang om altijd een overzichtelijk oversteekpunt te kiezen. Het gaat om zien (horen) en gezien worden. Verder is het belangrijk altijd met een rechte oversteek naar het trottoir aan de overkant te lopen. Ten slotte moet de startpositie in een recht gedeelte van een straat zijn en niet in de ronding van een bocht. Dit geldt met name voor kinderen die de overkant niet kunnen zien.  De kinderen leren een “U” te lopen. Dat wil zeggen bij het naderen van een zijstraat deze ongeveer vijf meter  inlopen – oversteken – vijf meter teruglopen tot de hoek en de weg weer vervolgen.

Een straat/kruispunt naderen op het gehoor kan het kind informatie geven over verkeersdrukte, soorten verkeer, snelheid, verkeersstromen en de aanwezigheid van verkeerslichten. Kinderen die gehoor combineren met een restvisus verzamelen dezelfde gegevens, maar het beeld dat zij vormen kan completer zijn dan bij kinderen die blind zijn. Aangekomen bij de straat bereidt het kind zich voor op het oversteken.

Eerst denkt hij na over de antwoorden op de volgende vragen:

  • Hoe breed is de straat?
  • Is het een één- of tweerichting verkeer?
  • Van welke kant komt het verkeer?
  • Is er een aparte fietsstrook?
  • Hoeveel rijstroken moeten worden overgestoken?
  • Zal er een vluchtheuvel zijn?
  • Zijn er verkeerslichten?
  • Is er een voetgangersoversteekplaats?

Voetgangers oversteekplaats

In het begin zal de begeleider deze vragen stellen en het kind laten antwoorden. Naarmate het kind echter zelfstandiger en meer ervaren wordt zal hij dit uit zichzelf moeten gaan doen.

Vertrouwend op zijn zintuigen leert elk kind een zo volledig mogelijk beeld op te bouwen van de situatie. Door gedurende enige tijd naar het verkeer te luisteren en de afwisseling van de verkeersstromen te horen zal hij ontdekken dat het verkeer geregeld is door middel van verkeerslichten. Luisteren en kijken naar waar de auto’s voor de stopstreep wachten geeft informatie over waar een oversteekplaats kan zijn. In een omgeving waar vaak andere voetgangers zijn, geeft hun looprichting ook informatie over de situatie. Vaak krijgt het kind echter niet eens de kans de situatie zelf te ontdekken omdat voorbijgangers hem ongevraagde hulp aanbieden. Iedere straat, ieder kruispunt is verschillend. Daarom is verkeersdeelname ook zo ingewikkeld. Telkens zal het kind opnieuw moeten nagaan of hij voldoende informatie kan verzamelen om een veilig oversteekmoment te kiezen.

Niet alleen de structuur van wegen en straten maar ook het gedrag van andere verkeersdeelnemers is bepalend voor iemands mobiliteit. Iedereen maakt voortdurend opeenvolgende bewuste of onbewuste beslissingen: wel of niet door rood lopen of fietsen, even wat meer snelheid maken, uitwijken voor een tegenligger, of wachten met doorrijden bij een verkeerslicht om ook de laatste voetganger de ruimte te geven.

7. Oefenen volgens een stappenplan

 Stap 1: Voordoen

U doet de handelingen die wij hieronder noemen duidelijk voor. U zegt er telkens bij wat u doet en waarom u het doet.

Oversteken in een straat zonder geparkeerde auto´s

  • U staat naast het kind. Zorg dat u zijn uitzicht niet belemmert!
  • Stoppen voor de stoeprand.
  • Kijken en luisteren naar de ene kant (links)of er verkeer aankomt.
  • Kijken en luisteren naar de andere kant (rechts) of er verkeer aankomt.
  • Als er verkeer aankomt wachten tot het voorbij is en opnieuw beginnen met naar beide kanten kijken en luisteren.
  • Als er niets aankomt recht oversteken.

 Tip:

Controleer of het kind begrippen als ‘stoeprand’ en ‘verkeer’ wel goed begrijpt. Zo is verkeer bijvoorbeeld meer dan een auto. Gebruik tijdens het oefenen dezelfde woorden. De begrippen ‘links’ en ‘rechts’ worden nog wel eens door elkaar gehaald. U kunt dan ook beter spreken over ‘kijken naar de ene kant’ en ‘kijken naar de andere kant’ in combinatie met links en rechts.

 Stap 2: Samen oefenen

  • U staat naast het kind. Zorg dat u zijn uitzicht niet belemmert.
  • U vraagt het kind steeds hardop te benoemen wat het gaat doen.
  • U corrigeert het kind als hij een fout antwoord geeft.

 Stap 3: Oefenen met meer afstand

  • Afstand ten opzichte van het kind iets vergroten.
  • U laat het kind zelf vertellen wat hij gaat doen.
  • U grijpt alleen in als het kind zichzelf of anderen in gevaar brengt.
  • U bespreekt aan de overkant van de straat wat er goed ging en wat beter kon.

Heel veel kinderen camoufleren hun eigen angst bij het oversteken en zeggen dan “Ik denk dat ik kan oversteken”. Wanneer de begeleider op dat moment vraagt “Weet je het zeker”, zal het kind nog een keer gaan kijken. Op dat moment heeft niet het kind maar de begeleider bepaald dat hij kon oversteken. Let er daarom op dat u het kind geen enkele aanleiding geeft waardoor hij gaat oversteken maar hem echt zelf laat bepalen wanneer het kan.

Stap 4: Controle

  • U laat het kind oefenen in een andere straat dan waar u steeds met hem oefende.
  • U bepaalt samen met het kind of er op een bepaald onderdeel nog eens extra geoefend moet worden voor hij kan leren oversteken in moeilijkere situaties.

 Tip:

Probeer erop te letten dat u niet zelf een beweging naar voren maakt als u ziet dat het kind kan oversteken als het juist de bedoeling is dat het kind dit moet zeggen. Een kind gaat ervan uit dat u oplet en reageert automatisch op uw lichaamstaal. Uw beweging naar voren betekent voor hem dat hij kan oversteken. Zo’n beslissing heeft het kind dan niet op eigen kracht genomen!

Weinig tijd

Als u weinig tijd heeft, hoeft u niet onder alle omstandigheden over te steken zoals u dit normaal met het kind oefent. Moet u bijvoorbeeld aan de andere kant van een drukke winkelstraat zijn, dan duurt wachten tot er niets meer aan komt misschien te lang. Neem in zo’n geval het kind aan de hand en zeg dat u zult kijken wanneer het mogelijk is samen veilig over te steken. Ook al hoort het kind van beide kanten verkeer, dan nog zal het erop vertrouwen dat u voor een veilige oversteek kunt zorgen.

Zelfstandig oversteken

Het kind gaat zelfstandig oversteken op het moment dat hij er aan toe is. De begeleider biedt daarbij ondersteuning op een grotere afstand van hem vandaan. Dat geeft het kind ook meer het gevoel zelfstandig op pad te zijn. Heeft het kind de beslissing genomen om over te steken dan moet hij hierbij een duidelijke oversteekhouding tonen. Een aarzelende houding schept onzekerheid en kan bij de automobilist of fietser de indruk wekken dat hij er nog wel even langs kan gaan. En dat laat het kind natuurlijk weer schrikken en zal hem doen terugdeinzen. Als het kind een herkenningsstok gebruikt bij het oversteken steekt hij deze uit. Vervolgens steekt het kind in een gelijkmatig tempo over.

Tip:

Vaak komt het voor dat een automobilist zomaar stopt op straat en vanachter de voorruit met handbewegingen duidelijk maakt dat het kind kan oversteken. Een kind met een visuele beperking ziet dit vaak niet. Ook kan er nog een fietser achter de auto vandaan komen die het kind niet ziet. Leer het kind daarom de auto te laten passeren door een handbeweging te maken en een stapje achteruit te doen dat deze kan doorrijden. Zo kan het kind zelf beslissen of oversteken veilig is en eventueel een volgende situatie zal afwachten. Het kind bepaalt wanneer er wordt overgestoken, niet een auto die stopt.

Afstand inschatten

Alle kinderen vinden het moeilijk in te schatten hoe ver een auto of een fietser nog is verwijderd. Maar voor kinderen met een visuele beperking is dit extra moeilijk. Om hen hierbij te helpen is de volgende oefening zeer nuttig. Begin de oefening met naderende fietsers. Vervolgens kunt u deze eventueel uitbreiden met naderende bromfietsen en auto´s. Begin pas met deze oefening als het kind “het oversteken als er niets meer aankomt” goed onder de knie heeft.

Tip:

Tel eens met het kind hoeveel tellen hij er over doet om de overkant te bereiken. Op deze manier krijgt hij kennis over tijd en afstand. Dit is van belang voor zijn inzicht in aankomend verkeer en in de hoeveelheid tijd die hij nodig heeft om over te steken.

Het moment leren herkennen waarop niet meer overgestoken kan worden

Stap 1

Bij het begin van deze oefening steekt u nog niet over. Vraag het kind eerst alleen nee te zeggen op het moment dat hij denkt, dat er niet meer kan worden overgestoken. Zodra het kind nee zegt begint u te tellen. U stopt met tellen als de auto of fietser passeert.

Duurt het tellen zeven tot tien seconden dan heeft het kind het bedoelde moment goed herkend. Passeert de auto als u met tellen pas bij vier bent, dan is de auto veel sneller dan het kind denkt. Rijdt de auto voorbij als u bijvoorbeeld al bij 12 bent, dan heeft het kind te vroeg nee gezegd. Pas als het kind goed kan aangeven wanneer er niet meer veilig kan worden overgestoken, gaat u daadwerkelijk met het kind oversteken als er verkeer komt aanrijden.

Stap 2

Steek samen met het kind over. Vraag het kind of hij kan oversteken op een moment dat het hem geschikt lijkt. Als het kind ja zegt, beoordeelt u zelf of hij gelijk heeft. Heeft het kind gelijk, dan kijkt u samen naar de andere kant en steek over als er niets komt aanrijden. Heeft het kind een verkeerde inschatting gemaakt dan houdt u het kind vast bij de arm en gaat tellen. Door te tellen ontdekt het kind dat de auto binnen zeven seconden voorbij is. Daardoor weet hij dat hij geen goede beslissing nam. Het moment waarop u vraagt “Kunnen we oversteken?” is erg belangrijk. Door zijn beperking ziet het kind de auto altijd later dan de begeleider. Daarbij heeft het kind  tijd nodig om te kijken, in te schatten en een afweging te maken. Probeer aan  de hand van deze oefening ook te ontdekken wanneer het kind de auto ziet en hoort aankomen.

8. Oversteekpunten

 Oversteken bij geparkeerde auto´s

  • Bij geparkeerde auto´s aan de stoeprand, is er geen goed overzicht mogelijk.
  • Stop voor de stoeprand.
  • Loop naar de voorkant van de auto.
  • Ga voor de auto staan ter hoogte van de tweede koplamp.
  • Kijk en luister naar de ene kant (links).
  • Kijk en luister naar de andere kant (rechts).
  • Steek rustig over als er niets meer aankomt.

Komt er iets aan rijden? Wacht tot het voorbij is. Daarna opnieuw naar twee kanten uitkijken en luisteren.

Oversteken kruispunten

Op sommige kruispunten is het noodzakelijk dat u met het kind een tijdje op de hoek gaat staan om het verkeer op de verschillende rijstroken te observeren. Dit is nodig om onregelmatigheden te verklaren, geluiden te interpreteren en om te praten over veilige en onveilige acties. Eventueel kunt u als ondersteuning een plattegrond gebruiken. Zo kunt u bereiken dat het kind voldoende relevante kennis en inzicht krijgt in het verkeer en zich een passende strategie kan eigen maken.

Tip

Auto’s stoppen aan de stopstreep bij verkeerslichten. Het kind kan dit gebruiken als gidslijn/oriëntatielijn om over te steken.

Stap 1: Overzichtsplek zoeken

Zoek een recht plekje aan de stoeprand van waaruit u in alle vier de straten kunt kijken en luisteren.

Stap 2: Kijken en luisteren of er verkeer aankomt.

  • Kijk en luister naar de ene kant (links).
  • Kijk en luister naar voren.
  • Kijk en luister naar de andere kant (rechts).
  • Kijk en luister achterom.
  • Als er verkeer aankomt, wacht tot het verkeer voorbij is en begin opnieuw met kijken en luisteren.

Stap 3: Oversteken.

–    Steek recht en rustig over als er niets meer aankomt.

Tip:

Sommige kinderen hollen naar de overkant omdat ze toch nog angstig zijn. Leer het kind rustig en kijkend oversteken. Als het kind de snelheid van verkeer beter kan inschatten, neemt dit gedrag af.

Instructie tijdens de oefening:

Jonge kinderen kunt u het beste bij de hand houden. Dit geldt ook voor kinderen die zich naar uw mening nog te onveilig gedragen. Kinderen accepteren dit vaak zonder morren omdat zij ervan uitgaan dat u volwassen bent en dus goed oplet. Toch kunt u ook een kind dat u vasthoudt wel enige verantwoordelijkheid leren nemen voor het moment van oversteken. Dit kunt u doen door hem het tijdstip van oversteken te laten bepalen. Dit geeft het kind het gevoel het zelf ook te kunnen.

Tip:

Zorg ervoor niet zelf te bewegen als u ziet dat u kan oversteken. Het kind voelt uw beweging, maakt geen eigen keuze meer en loopt instinctief met u mee.

Oversteekplaatsen met rateltikker

De rateltikker is speciaal voor blinden en slechtzienden gemaakt. Deze maakt bij rood licht voor voetgangers een langzaam tikkend geluid. Bij een druk op de aanvraagknop van het oversteeklicht is een sneller tikkend geluid hoorbaar op het moment dat het licht voor de voetgangers op groen springt. Opletten is ook hier van belang. Auto’s en fietsers hebben vaak haast en willen nog wel eens door rood rijden. Is er een rateltikker dan wacht het kind op de stoep. Alleen wanneer de paal met de aanvraagknop na het fietspad staat moet hij wel op eigen kracht (door goed te kijken en te luisteren) eerst het fietspad oversteken.

Soms gaat het groene licht knipperen voordat het rood wordt. Dat geknipper is een waarschuwing. Vaak is dan ook een ander tikkend geluid te horen wat het midden houdt tussen het langzame en snelle tikgeluid. Laat het kind gewoon doorlopen, zeker niet hollen en al helemaal niet teruggaan!

Zebrapad oversteken in stappen

Instructie vooraf

Bij wet is geregeld dat het verkeer voorrang moet geven aan iedereen die bij het zebrapad wil oversteken. In de praktijk blijkt echter dat veel verkeer de neiging heeft door te rijden.

Stap 1

Het kind laat duidelijk zien dat het van plan is om over te gaan steken. De voet staat een klein stukje op de weg (dynamische oversteekhouding) en het kind kijkt goed naar links en rechts. Laat het kind niet voortdurend kijken in de richting waar het verkeer vandaan komt. Dit kan de indruk wekken dat het kind goed ziet.  Een herkenningsstok kan een slechtziend kind meer herkenbaarheid geven als hij deze duidelijk laat zien. (zie instructies stokgebruik) Dit is belangrijk omdat aan de buitenkant niet altijd te zien is of iemand slechtziend is.

Stap 2

Als de auto´s (en overige verkeersdeelnemers) stoppen, kan het kind beginnen met oversteken. Door goed te kijken en te luisteren zal ook het zeer slechtziende kind weten of er verkeer voor hem stopt. Leer het kind ook tijdens het oversteken naar links en rechts te blijven kijken. Er kan altijd nog verkeer komen.

Tip:

Maak gebruik van hulpmiddelen die voor het kind geschikt zijn, zoals stok, zonneklep, zonnebril, plattegrond (zie verder hoofdstuk over hulpmiddelen)

Na afloop

Bespreek met het kind altijd hoe hij de oefening deed. Vertel wat goed ging maar ook wat er beter kan. Complimenten geven het kind een gevoel van eigen waarde en betekenen vaak een stimulans om door te gaan.

Tip:

Leer het kind niet zonder meer te vertrouwen op de beslissingen van anderen, tenzij hij nadrukkelijk om hulp heeft gevraagd of hulp kreeg aangeboden. Immers, ziende mensen bekijken de situatie vanuit hun gezichtspunt en houden geen rekening met een mogelijke langere reactie- en oversteektijd van iemand die niet of nauwelijks ziet. Dit kan tot gevolg hebben dat het kind door een hulpvaardige voorbijganger wordt voortgeduwd of -getrokken (zie ook hoofdstuk 6).

9. Verkeerskennis

Ouders leren hun kinderen vaak spelenderwijs kennismaken met verkeersregels, bijvoorbeeld als onderdeel van het boodschappen doen. Kinderen hebben de neiging om deze informatie enigszins terloops aan te horen. Bovendien willen zij niet altijd de informatie van ouders aannemen. Want leren doe je immers op school en niet tijdens het boodschappen doen! Om die reden laten ouders verkeersles dan ook graag over aan derden. Als u uw kind toch zelf verkeersles wilt geven, leg dan uit waarom en wanneer u dit wilt doen. Door samen af te spreken wanneer u wilt oefenen is het ook duidelijk wanneer u met uw kind voor de gezelligheid loopt of bezig bent met een verkeersles.

10. Borden en tekens

Er wordt in het verkeersonderwijs op scholen niet meer gesproken van verbodsborden of gebodsborden maar van:

  • Je moet hier- borden.
  • Je mag hier niet- borden.
  • Pas op- borden.
  • Kijk hier eens-borden.

De kleur en vorm van deze borden zijn bepalend voor hun betekenis.

Verkeersborden

Haaientanden

Haaientanden. Geverfde witte driehoeken op de straat. Deze geven aan dat verkeer moet wachten omdat men een voorrangsweg nadert. Zeer slechtziende kinderen kunnen haaientanden gebruiken als oriëntatiepunten waarmee zij recht kunnen oversteken.

Tot slot

Behalve de structuur van wegen en straten en kennis van borden en verkeerstekens is ook het gedrag van de overige verkeersdeelnemers bepalend voor iemands mobiliteit. Kinderen met een visuele beperking moeten leren beslissingen te nemen en daarbij rekening te houden met het voorspelbaar maar zeker ook het onvoorspelbaar gedrag van anderen. Daarnaast is een goed beeld hebben van zijn eigen mogelijkheden en beperkingen heel belangrijk.

Deel dit artikel