Contact
Marten van DoornMarten van Doorn
Gepubliceerd op

Oriëntatie een denkproces

Als je de “mobiliteit” van een leerling nader analyseert, dan zijn er in elk geval vier belangrijke factoren, die van belang zijn:

  • durf en zelfvertrouwen
  • het loopwerk
  • oriëntatie
  • navigatie

De eerste 2 aspecten wil ik even kort aanstippen. Niet omdat ze minder belangrijk zijn. Maar meer omdat ze bij andere onderdelen nog aan bod komen en ik mijn bijdrage meer wil concentreren op het aspect oriëntatie.

Durf en zelfvertrouwen bij een leerling is heel belangrijk. Een fundamentele stap daarin is dat de instructeur de leerling goed kent en dat de leerling vertrouwen heeft in de instructeur.

De leerling komt immers in situaties die bedreigend of verwarrend kunnen zijn. De leerling moet zich veilig voelen en het moet weten dat de instructeur hen altijd zal begeleiden en helpen waar nodig. Is de relatie goed dan hoeft de instructeur de leerling nauwelijks meer te motiveren voor O&M training vooral als de leerling de training ook nog eens als zinvol ervaart. Tijd investeren in het opbouwen van een goede relatie is een voorwaarde voor mobiliteitstraining en moet niet worden onderschat.

Oriëntatie is ook iets wat de O&M instructeur niet alleen doet maar partner, ouders en leerkrachten zijn hierbij zeer belangrijk. Het belang van zelfstandig leren verplaatsen moet bij hen ook duidelijk zijn. Hier ligt ook een taak voor de O&M instructeur, om dit goed te communiceren.

Het “loopwerk” is de factor, die iedereen kent en die het meest in het oog springt. Zonder het loopwerk kom je namelijk nergens. Maar je bewegen is – tot op zekere hoogte – wel gevaarlijk.

Aspecten, die tot het loopwerk kunnen worden gerekend, zijn nogal voor de hand liggend:

  • Hoe zorg ik er voor dat ik op het “rechte pad” blijf.
  • Hoe zorg ik er voor, dat ik niet gehinderd wordt door obstakels van allerlei aard. Naast bomen, palen, uitstallingen en andere obstakels zijn er natuurlijk de stoepen, trappen en last but not least kuilen, die je pad “onbegaanbaar” kunnen maken.
  • Hoe meng ik mij veilig in het verkeer. Met name op dit punt vervult de stok als wettelijk erkend verkeersteken uiteraard nog steeds de belangrijkste rol.
  • Het laten zien, dat je een “afwijkende” verkeersdeelnemer bent en bovendien eentje uit een risicogroep.

Meestal beperkt men zich als het om mobiliteit gaat ten onrechte tot het loopwerk. Daar zijn in elk geval wel de meeste hulpmiddelen voor bedacht en in gebruik.

Zodra je jezelf echter wilt verplaatsen van A naar B dan moet je ook kunnen navigeren. Dit betekent, dat je een navigatieplan moet maken hoe van A naar B te komen. Op school leerden we dat de kortste verbinding tussen twee punten een rechte lijn is, maar in de praktijk van het dagelijkse leven blijkt dat lang niet altijd op te gaan. Als je het navigatieplan wilt uitvoeren, dan is oriëntatie erg belangrijk. Steeds weer moet je jezelf de vragen stellen: waar bevind ik mij en in welke richting moet ik mij gaan bewegen.

Voor dat stuk “navigatie” zijn tegenwoordig vele GPS systemen op de markt. Maar wat nu als die niet kunt bedienen of niet begrijpt hoe dat werkt. En die moderne GP systemen helpen je echt niet bij je route op bijvoorbeeld een rotonde.

Oriëntatie is de vaardigheid van een leerling om zijn positie te bepalen in de hem omringende omgeving. De kern ligt in het ruimtelijke verband tussen de leerling en de omgeving. Is de uitgang links of rechts, op welke afstand zit de leraar, hoever is het naar de overkant van de straat en wat is de kortste (fiets)route naar de winkel. Dit zijn allemaal vragen die van doen hebben met de plaatsbepaling in de ruimte. Dit ruimtelijk verband wijzigt zich telkens door wisselingen in de omgeving en verplaatsing van de leerling zelf. Pas als de leerling weet waar het is (A) en waar het heen wilt (B) kan hij bepalen hoe hij daar komt, langs welke route en met welk (vervoer) middel.

Zoals gezegd is bij de zelfstandige verplaatsing oriëntatie een heel belangrijke vaardigheid. Veel van onze aandacht gaat uit naar de verplaatsing, het fysieke aspect en in toenemende mate het technische aspect. Blijkbaar omdat mobiliteit beter begrepen wordt dan oriëntatie. Wellicht ook omdat van oriëntatie vaak wordt gezegd: ‘dat heb je wel of dat heb je niet’. Dit wijst op een, in aanleg bepaalde kwaliteit, die niet of nauwelijks te beïnvloeden zou zijn.

Dat ook onder goedzienden veel verschil bestaat t.a.v. het oriëntatievermogen, onderstreept deze bewering. Zienden hebben meer compensatiemogelijkheden, waardoor het falen van de oriëntatie geen al te grote problemen veroorzaakt. Wij denken echter niet dat aanleg alles bepaalt. Zoals bij heel veel vaardigheden is het belangrijk welke kansen iemand krijgt ze te ontplooien. En waarom zou dat niet voor oriëntatie gelden? Waarom zou het door oefening niet leerbaar, of in elk geval te verbeteren, zijn?

Vaak wordt gezegd dat onze leerlingen eerst goed weet moeten hebben van ruimtelijke concepten. Wat is rechts en links, wat is voor of achter enz.? Voor mobiliteitsinstructie is het wel handig als we met deze concepten kunnen werken, maar dan is het meer in het belang van de communicatie. Het is maar zeer de vraag of een leerling zich ineens beter kan oriënteren wanneer het de begrippen links en rechts kan benoemen en goed toepassen.

Vanuit je eigen lichaam weten wat rechts en links is, is belangrijk. Een visueel beperkte denkt tijdens zijn route lopen niet in links/rechts maar in die kant en de andere kant (ook toepasbaar bij het oversteken). Vraag een leerling van je eens een bekende route te beschrijven.

Het leren van vaardigheden, onthouden van bepaalde kennis en het oplossen van een probleem hangt mede af van de verstandelijke vermogens van de leerling. Wanneer vaardigheden beheerst worden, is het belangrijk dat de leerling die ook in vergelijkbare situaties kan toepassen. Maar ook het vermogen om in onverwachte situaties te handelen, een alternatief te bedenken en initiatieven te nemen zijn hiervan afhankelijk.

Het hebben van een verstandelijke beperking heeft gevolgen voor het begripsvermogen en de manier waarop oriëntatie en mobiliteit plaatsvindt. De verstandelijke beperking heeft gevolgen voor het leren, begrijpen, onthouden en oproepen van informatie. Het ruimtelijk inzicht is beperkt. Het probleem-oplossend vermogen is verminderd in vergelijking met de anderen. De leerling kan een route leren lopen, een boodschap te doen, maar indien hij niet weet wat hij moet doen als er problemen ontstaan, dan zal hij nimmer in staat zijn de route zelfstandig te lopen of de boodschap alleen te doen.

Dat is dus een reden om de leerling bewust een fout te laten maken. Wanneer een oversteek tijdens de lessen altijd goed gaat, dan weet hij niet hoe te handelen wanneer het fout gaat op het moment dat hij voor het eerst alleen mag oversteken.

Drie vaardigheden zijn belangrijk voor een goede oriëntatie.

  1. Een adequate waarneming van de omgeving
  2. De controle kunnen houden op de eindbestemming
  3. De controle kunnen houden op het vertrekpunt

Goedziende mensen vertrouwen vrijwel volledig op hun visuele waarneming. In onze omgeving zijn er immers altijd wel visueel waarneembare aanknopingspunten. Ook iemand zonder richtingsgevoel weet meestal zijn of haar weg wel te vinden. Als men even de weg kwijt raakt, duikt er altijd wel een wegwijzer of kerktoren op, die houvast biedt.  Wanneer deze waarneming geheel of gedeeltelijk wegvalt, moet een beroep worden gedaan op andere vaardigheden, zintuigen en kennis. Het ligt voor de hand dat het van belang is de eventuele restvisus en de overige zintuigen te trainen in het waarnemen van de ruimte. En dat is nog niet alles. De blinde of slechtziende voetganger zal de verschillende waarnemingen bovendien goed moeten kunnen interpreteren en integreren.

Een van de pijlers waarop oriëntatie is gebaseerd is de waarneming van de omgeving. Bij de instructie is het dan ook van belang te zoeken naar geschikte omgevingen om dit te oefenen. Voor lichaamsnabije oriëntatie is de tactiele waarneming het belangrijkste. Het met de voet, taststok en eventueel de hand waarnemen van ondergronden, objecten en natuurlijke gidslijnen. Vooral omgevingen met duidelijke overgangen zijn geschikt.

Het is juist de overgang van het ene naar het andere kenmerk die opgemerkt wordt en informatie biedt (harde-zachte ondergrond, muur die overgaat in een heg). Door met de taststok te tikken voelt iemand niet alleen de ondergrond maar hoort deze ook. Hetzelfde geldt voor de eigen voetstappen. Door het geluid te koppelen aan de tast ontstaat de mogelijkheid om te anticiperen op wat gaat komen. En juist die oriëntatie op afstand (het geluid) stelt hem nog beter in staat te anticiperen op de dingen die gaan komen. Op den duur zal hij zich gaan herinneren dat wanneer hij een bepaald geluid (herkenningspunt) hoort, hij na bijv. 4 meter rechtsaf moet slaan.

Bij de oriëntatie op afstand speelt dus de auditieve waarneming dus een hoofdrol. Min of meer permanente geluiden (een weg) kunnen informatie bieden over de omgeving. Zij kunnen gebruikt worden om naartoe, langs of zelfs vandaan te lopen. Voorbeelden van permanente geluiden: verkeersstromen, fonteinen, rateltikkers, generatoren. Ook niet permanente geluiden zoals schuifdeuren, andere voetgangers zijn heel handig.

En natuurlijk het fenomeen echolokalisatie: echolokalisatie is een aspect van het horen, waarbij men echo’s kan waarnemen. Wij kennen echo vooral van het roepen in een grot of het weerklinken van een geweerschot. Het hoeft niet alleen geluid te zijn dat rechtstreeks uit een geluidsbron komt (bijv. geluid van een rijdende auto): wij nemen ook meer waar dan alleen het licht dat direct uit een lichtbron komt. Juist door reflectie van het licht kunnen wij de omgeving waarnemen (voor meer info; zie bijgaand artikel over echolokalisatie)

Datzelfde zou je kunnen zeggen van geluid.

Voor een blind persoon biedt echolokalisatie informatie die verder gaat dan de lengte van de taststok. Het kan informatie bieden omtrent paaltjes, muren, doorgangen, trappen, voetgangers, auto’s en begroeiing.  De echo heeft immers dezelfde kenmerken als het object waarop het terugkaatst en is daardoor voor de geoefende luisteraar herkenbaar en bruikbaar voor zijn oriëntatie.

Tot slot zijn voor de oriëntatie op afstand nog de waarnemingen van het weer van belang: zon, wind en het geluid van regen op afdakjes. Dus ook bij regenachtig weer zijn er mooie oefeningen te doen.

Bij oriëntatie wordt veelal vooruit gedacht. Men moet weten waar men heen gaat, waar de bestemming ligt en men moet enig idee hebben over hoe daar te komen. We realiseren ons wellicht niet zozeer, dat controle op waar je vandaan komt de basis vormt voor je oriëntatie. Als je in gedachten en in je bewegingen de positie van het vertrekpunt vast kunt houden, zul je niet makkelijk verdwalen. We noemen dat ook wel navigeren. (ONM) Je kunt immers op je schreden terugkeren en het opnieuw proberen. Het is dan ook van belang dat tijdens mobiliteitsinstructie geoefend wordt in het teruglopen naar het vertrekpunt. Dus leren we de heen- en terugroute in gedeeltes tegelijk aan. Juist daar waar het mis gaat, is teruggaan belangrijker dan doorgaan. Dat betekent dat we routes niet door elkaar moeten leren.

Stimuleer dus de leerling te onthouden waar hij vandaan komt (te wijzen en te beschrijven) en vraag hem terug te lopen. Vraag hem steeds tijdens de route het volgende oriëntatiepunt te benoemen. Benut alle beschikbare omgevingsinformatie om oriëntatiepunten te vinden en te gebruiken; denk daarbij in het bijzonder aan hoorbare – vaak onzichtbare – informatie. Besteedt vooral aandacht aan vertrek- en eindpunt van de route.

Ik ga even terug naar die leraar in de klas die tegen zijn leerling zegt: Over 5 minuten moet je je handen gaan wassen. Wat zou het makkelijk zijn als die leerling op zijn tafel al de richting van de wastafel weet bijvoorbeeld door middel van een symbool of braille. Hij weet dan dat de wastafel recht voor hem tegen de muur is. Hij gaat staan en draait naar rechts omdat daar de muur is waar die langs loopt. Op het moment dat hij draait zou de leraar moeten vragen waar nu de wastafel is. Die is dan links. Dan weet de leerling al dat hij bij de muur naar links moet. Daar aangekomen draait de leerling naar links en weer vraagt de leraar waar de wastafel is. Dus eigenlijk na iedere draai vragen waar het einddoel is. De leraar kan dit ondersteunen door bijvoorbeeld in eerste instantie bij de wastafel te staan zodat de leerling het kan horen. Ook kan hij het ondersteunen door samen met de leerling de draai te maken. De leerling moet voelen en zich bewust zijn van zijn draai.

Kinderen die een slecht geheugen hebben en moeilijk iets kunnen houden moet je dus geen route gaan aanleren maar leren navigeren.

plattegrond ruimte

Oefeningen in het ‘onder controle houden’ van punten is dus heel nuttig. Er wordt klein begonnen in een ‘overzichtelijke’ ruimte, zoals klaslokaal, tuin of straat. Kies daarin een punt dat al vertrouwd is: eigen tafel of deur. Ik kom er verderop in het verhaal nog terug bij het oversteken van een rotonde.

Oriëntatie begint dus al bij de eerste stap en vraagt een continue begeleiding Zonder daarbij al concrete invulling te geven.

 

Gangen in schoolgebouw

 

In voormalige Slechtziendenschool in Zeist hebben we in de SO afdeling een kruispunt van gangen. Wanneer de leerling uit zijn klas komt en naar het videolokaal moet loopt komt hij op dat kruispunt, moet daar rechtdoor en dan rechtsaf. Te vaak zeggen we wanneer de leerling bij het kruispunt twijfelt welke kant hij op moet: “loop maar door” in plaats van vragen te stellen als wat hoor je rechts/links en voor je? Op deze manier zal het veel langer duren voordat de leerling de weg weet naar het videolokaal dan wanneer hij zelf kan en mag ontdekken met onze ondersteuning.

De N van nadenken is hier voor de leerling van essentieel belang. Hij moet de tijd krijgen om zelf een route uit te zetten (te navigeren of te nadenken).

Dat betekent dus dat hij er eerst, onder begeleiding, een keer geweest moet zijn. Dit vereist van het kind dat hij alle oriëntatiepunten goed in zijn geheugen kan opslaan en oproepen (herkennen) indien nodig. Dat vraagt van ons ook speciale vaardigheden namelijk dat wij niet te snel invullen voor de visueel beperkte wat hij hoort. Laat hem daar eerst zelf proberen uit te komen. Het kind  hoort wat, wij geven er betekenis aan door opmerkingen als “wat zou het kunnen zijn, herken je er iets van, heb je dat al eerder gehoord, etc”. Niet te snel invullen.  Dat wordt ook wel het “Self Directed Discovery Process” genoemd.

De meeste blinde kinderen worden teveel begeleid en ontwikkelen dit niet of nauwelijks. Een kind dat bij problemen aanwijzingen gaat krijgen en opvolgen vanuit zijn sociale omgeving (begeleider) loopt in iedere volgende situatie weer vast en leert niet zelf te handelen maar wordt afhankelijk van die sociale omgeving (begeleider).

Terug naar de N.

Laten we eens gaan kijken wat er allemaal komt kijken om een rotonde over te steken.

Verkeersrotonde

 

Voor de meeste mensen met een visuele beperking is een rotonde heel moeilijk te bevatten. Hieronder een methodische aanpak voor het aanleren van een rotonde.

Voorwaarde is dat de leerling kan klok kijken of althans de plaats van de cijfers op de klok weet. Ik wil ook nog wel eens werken met het voorbeeld van een standbeeld.

tekening van rotonde

 

 Als je een plattegrond hebt gemaakt van een rotonde met vier zijstraten kun je de zijstraten vergelijken met de uren van een klok  (3, 6, 9 en 12 uur). De positie van de leerling is dan in het rondje middenin. Dit werkt voor veel visueel beperkte leerlingen verduidelijkend. Loop vervolgens met de leerling het kruispunt of rotonde rond en wijs op elke hoek aan waar het zich nu bevindt. Hierbij wordt op elke hoek steeds dezelfde positie vastgehouden. Dus bijvoorbeeld steeds met de neus richting straat 12 en komende vanaf straat 6. Eventueel kan je hiervoor ook een klok gebruiken met 2 of zelfs 4 wijzers.

Het duurste en meest moderne GPS apparaat gaat werken met een pijl die je de richting aangeeft. Dus bv richting 10 uur of 2 uur. Dus daar zouden deze oefeningen al heel goed voor zijn.

We gaan er vanuit dat de leerling de rotonde altijd via straatje 6 benaderd. De meeste leerlingen lopen een vaste route en de straat die naar de rotonde leidt noemen we dus 6.

Bedoeling van deze oefening/training is dat de leerling zelf een beeld gaat opbouwen van hoe deze rotonde is opgebouwd of ingedeeld. Zoals al gezegd is alles waar de leerling zelf een beeld van opbouwt met jouw bevestiging 10 x beter dan het beeld wat hij krijgt als jij het voor hem invult en beschrijft. Dat kun je ondersteunen met open vragen en hulpmiddelen als hand tekenen en de stoppen denken doen methode. Wat ik ook wel doe is zelf een rondje lopen en op iedere bocht van de rotonde roepen waar ik sta.

De laatste stap voor het oversteken is lopend naar de ribbeltegels van straat 6 dat straat 12 voor je is. Wanneer de leerling nu naar links gaat oversteken moet het zich bewust worden dat straat 12 opeens rechts is geworden. Denk even terug aan die klassensituatie.

 

tekening rotonde met cijfers van klok

We gaan nu de rotonde oversteken: zoals gezegd beschouwen we de rotonde als een klok met 4 straten op 3, 6, 9 en 12.

De straat waarin we de rotonde benaderen noemen we altijd straat 6.

In het geval van Zeist ligt Albert Hein aan de rechterkant van straat 9.

  1. We weten dus dat we linksaf moeten
  2. Aan welke kant van straat 6 lopen we nu, lopen we rechts dan moeten we 6 nog oversteken, lopen we links dan niet.
  3. We lopen straat 9 in, lopen we rechts of lopen we links?

Het wil nog wel eens gebeuren dat de leerling na het oversteken niet weet welke kant het moet oplopen. Naar rechts of naar links. Attendeer hem dan op het volgende:

Bijvoorbeeld na het oversteken van straat 6. Moeten we nu links of rechts naar straat 9. Waar hoor je de rotonde want je moet naar een volgend straatje van de rotonde, nr. 9.

Voor de terugweg vanaf de AH start ik met de klok in de handen bij straatje 9.

U zult begrijpen dat je voor deze korte route uitstekende oriëntatie en navigatievaardigheden nodig hebt en dat van de instructeur een continue begeleiding vraagt zonder daarbij al concrete invulling aan te geven.

Wat helpt is het tekenen van een gedeelte van een route in de hand. Je geeft op de palm van de hand van de leerling zijn positie aan en tekent vanaf dat punt bijvoorbeeld de lijn van de oversteek en de richtingsverandering na de oversteek. Uiteraard in de looprichting.

Deel dit artikel