Contact
Marian Amerongen-van VoornveldMarian Amerongen-van Voornveld
Gepubliceerd op

Spelen op het plein

 

Aandachtspunten mobiliteit slechtziende kinderen

Kunnen komen waar je wezen wilt is een belangrijk aspect in de ontwikkeling van een kind. Letterlijk komen waar je wezen wilt vormt vaak figuurlijk de sleutel tot het bereiken van je doelen en idealen. Bij een jong kind is de afstand vaak nog klein; dan kun je dat felgekleurde speeltje bemachtigen wat verderop ligt. Het doel komt echter steeds verder te liggen; met je vriendje naar het speelter­reintje, met je buurmeisje naar school, op de fiets naar het sportveld of met het open­baar vervoer naar oma. Afhankelijk van het doel moeten verschil­lende vaardighe­den beheerst worden en moet kennis aanwezig zijn. Zo moet een baby eerst kunnen kruipen om bij zijn speeltje te komen en de tiener weten welke bus hij moet nemen naar oma. Slechtziende kinderen hebben veelal meer moeite al deze vaardigheden en kennis te vergaren dan goedziende kinderen.

Slechtziendheid is één term voor een grote variatie in visuele beperkingen; elk kind is (visueel) uniek. Problemen die zich voor kunnen doen zijn: de afstand die hun visus kan overbruggen is kleiner waardoor ze het speeltje helemaal niet zien liggen; het overzicht is beperkt waardoor alle verkeersdeelne­mers opmerken op een kruispunt lastig is; diepte en snelheid zien is moeilijker dus wanneer zou die auto nu bij je zijn; afkijken bij anderen is lastig waardoor ze minder informatie tijdens het alledaagse gebeuren opdoen; vaak is het voor kinderen moeilijk voor te stellen wat ze visueel missen waardoor ze niet realiseren welke risico’s ze lopen (of juist wat ze goed kunnen). O.a. door deze verschil­lende factoren bestaat het risico dat een slecht­ziend kind door zichzelf en anderen wordt overschat of onderschat wat betreft zijn/haar mogelijk­heden. Een goede observatie is daarom noodzakelijk om de mogelijkheden en beperkingen in kaart te brengen en de kinderen met datgene te ondersteunen waar ze moeite mee hebben. Daarbij is de grens van hun mogelijkheden veelal eerder bereikt dan bij goedzienden. Auto leren rijden is veelal niet haalbaar. Brommer rijden en het kunnen fietsen in het verkeer is niet altijd mogelijk. De visus is bij deze kinderen van groot belang. Natuurlijk spelen ook andere factoren een rol bij het veilig op je doel afgaan zoals karakter en de route die je af moet leggen.

Het blijft puzzelen om er achter te komen wat jouw leerling ziet onder welke omstandigheden. Zon, regen en schaduw hebben grote invloed op de visus. Een grijze auto bij slecht weer op een grijze weg zie je echt niet aankomen. Een handig hulpmiddel kan de observatielijst zijn.

 

Waar letten wij op in verband met de visus wat betreft :  Lopen

Kijkgedrag:

Doelgericht inschakelen van de restvisus, waarbij structuur in het kijken en weten waar de aandacht op gericht moet zijn, belangrijk is. Ook het realise­ren wat visueel niet waargeno­men wordt door de handi­cap is belangrijk.

Gebruik zintuigen:

Naast het kijken is aandacht voor wat er aan geluiden is op te merken erg belangrijk m.n. voor kinderen waarbij de licht- en weersomstandigheden een grote rol spelen.

Veilig lopen op stoep en straat:

Belangrijk is te weten wat gevaarlijk kan zijn (b.v. rennen op de stoep waar ook ‘ergens’ onopvallende fietsenrekjes staan).

Hulp vragen/weigeren:

Vaker zal het kind hulp moeten vragen. Dit is veelal lastig doordat ge­zichts­uitdrukkingen niet goed waar te nemen zijn, antwoorden niet altijd duidelijk zijn en het gevoel kan bestaan dat het moeten vragen alleen moet vanwege de visuele handicap (welke ze willen verbergen).

Lopen met de fiets:

Bij het lopen met de fiets is het belangrijk om, naast aandacht voor het voorwiel, ook op te letten of het achterwiel niet ergens tegenaan botst.

Op- en afstappen:

Belangrijk is dat een kind bij het op- en afstappen niet te veel slingert, wat gevaarlijk is.

Rechtuit fietsen:      

Fietsen zonder te slingeren moet beheerst worden voordat er in het verkeer gereden kan worden.

Versnellen en vertragen:

Het kunnen anticiperen op het overige verkeer en veranderende verkeers­situa­ties is belangrijk. Visueel gehandicapte kinderen nemen dit over het algemeen echter later waar, waardoor dit moeilijker is dan voor anderen

Met één hand fietsen:

Dit is nodig om je hand uit te kunnen steken en zo de bocht om te gaan.

Over de schouder kijken:        

Bij een bocht naar links is het nodig dat je over je schouder kijkt naar het achterop komend verkeer terwijl je wel rechtdoor moet rijden. Doordat het ach­terom kijken voor visueel gehandicapte kinderen vaak lastiger is, vergt het rechtdoor blijven rijden vaak ook meer.

Plotseling remmen:

Dit kan altijd voorkomen, zeker voor visueel gehandicapte kinderen omdat ze veelal later iets opmerken en daar­door er minder op voorbereid zijn. Bij het remmen in het algemeen moeten slechtziende kinderen vaak erop geatten­deerd worden dat ze hierbij rekening houden met achter zich rijdende fiet­sers. Onnodig plotseling stoppen moet voorkomen worden. Vaak zien slechtziende kinderen niet uit zichzelf het belang hiervan in.

 

http://buitenspelen.startpagina.nl/

Op deze pagina staan heel veel spellen die gedaan kunnen worden op het schoolplein. Soms vraagt het enige aanpassingen door b.v een rinkelbal of een felgekleurde bal. Of dat de ene helft van de kinderen een veiligheidslesje draagt wanneer er een spel is in 2 groepen.

Bij blokjes trefbal felgekleurde blokjes gebruiken of een geluidsbaken.

Regel afspreken dat de bal niet hoger mag komen dan heuphoogte. Dit i.v.m. het goed aan kunnen zien komen van de bal en veiligheid voor de ogen van het slechtziende kind. Het slechtziende kind moet ook nooit bij een balspel tegen de zon in moeten kijken (pet en zonnebril gebruiken).

Het schoolplein MOET veilig zijn. Opstaande randjes of oneffenheden in het schoolplein eerst met stoepkrijt wit of geel maken en kijken hoe het kind daarop reageert.

Dit zelfde kan men doen bij de fietsenrekken (een gele of witte streep er helemaal omheen) en bij de zandbak. Soms ziet het kind zo slecht dat hij/zij de deur niet meer kan vinden dan kan je ook een streep van het hek naar de deur trekken. Maar vaak is dat niet nodig.

Let op overhangende takken.

Tot hoever ga je met aanpassen?

In ieder geval tot het veilig is.

Klimrekken en huisjes zijn vaak al fleurige kleuren.

Knikkerpotjes vallen beter om als de tegel er omheen wit of geel is.

Voetbal- of ballijnen vakken.

Hinkelblok ook met felle kleuren.

 

Alle speeltoestellen die van grauw beton zijn gemaakt en stoepranden vallen vaak niet op omdat het contrast verminderd is.

Altijd eerst met stoepkrijt uitproberen en als het bevalt kan er buiten betonverf worden gebruikt.

Maar soms moeten leerkrachten, het kind en ouders accepteren dat het niet aan te passen is.

Voor de veiligheid kan de juf/meester in de pauze een felgekleurd hesje dragen zodat hij/zij beter opvalt. En dat is een aanpassing die niet alleen voor het slechtziende kind goed is. Ook de andere kinderen hebben daar profijt van.

Heeft de school aan de schoolverzekering doorgegeven dat ze een slechtziend kind op school hebben. Mocht er iets gebeuren dan kan de verzekering moeilijk gaan doen omdat ze niet wisten dat er een slechtziend kind op school zat. Het heeft geen consequenties voor de verzekering (weigeren) of de hoogte van de premie.

 

Literatuur:

Intro – Rudolf Seitz – Tastspelletjes

Intro – Rudolf Seitz – Kijkspelletjes

Intro – Wolfgang Löscher – Luisterspelletjes

Intro – Wolfgang Löscher – Ruik- en smaakspelletjes

Kijk, zo speel ik (spelen met uw visueel beperkte kind)  – Bartiméus reeks

Oog voor de bal (spelen met een bal door visueel beperkte kind) – Bartiméus reeks

Deel dit artikel